Deeltijdwerk: probleem dat tussen de oren zit

Bij deeltijdarbeid is Nederland koploper in Europa. Een derde deel van de beroepsbevolking werkt part-time. De vakbeweging meent enthousiast dat nog honderdduizend deeltijd-banen kunnen worden geschapen. Werkgevers zijn sceptisch. Onnodig, funest en onmogelijk, zeggen ze. Een inventarisatie.

Afgelopen februari zat bestuurder Erik Pentenga van de Industriebond FNV aan tafel bij het Brabantse verpakkingsconcern Pack-O-Phane om over een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst te praten. Pentenga bracht te berde dat een deel van de vijftig werknemers graag in deeltijd wilde werken. De reactie van directeur Piet de Jong deed de bestuurder bijna van zijn stoel vallen.

De directeur sloeg met zijn vlakke hand op tafel, zegt Pentenga, en riep: “Er wordt hier alleen full-time gewerkt en anders sodemieteren ze maar op!” De Jong weigerde het nut van deeltijd in te zien. Deeltijd was onnodig. Hij en zijn vrouw hadden de taken immers ook goed verdeeld? Hij was directeur en zij was huisvrouw. De werknemer die het leven niet naar dit klassieke model wilde indelen, kon de fabriek verlaten.

Pentenga vertelt hoe een personeelslid toch een aanvraag voor deeltijd indiende. De jonge vrouw was zwanger en wilde na de geboorte van haar kind gedeeltelijk blijven werken. Een hele stap in het traditionele dorp waar de meeste werknemers van Pack-O-Phane wonen, benadrukt Pentenga. Maar de directeur weigerde en uiteindelijk nam de vrouw ontslag.

Hoewel de tegenstand van de Brabantse directeur uitzonderlijk fel is, heeft de vakbeweging over het algemeen de grootste moeite werkgevers over te halen meer deeltijd in de bedrijven toe te staan. Op centraal niveau is die bereidwilligheid er wel - in de Stichting van de Arbeid ondertekenden de centrale werkgeversorganisaties vorige maand een overeenkomst met de vakcentrales. In de praktijk stuit deeltijd, waarbij de arbeidstijd afwijkt van de gebruikelijke werktijd in een branche, echter op veel weerstand.

Zo wezen de werkgevers in de metaalindustrie het akkoord in de Stichting van de Arbeid direct van de hand. Uitbreiding van deeltijd zou de toch al noodlijdende metaalindustrie op kosten jagen. “Meer bureau's, hogere administratiekosten, meer vergaderingen. En in deze tijd kan onze bedrijfstak geen verhoging van de kosten gebruiken”, aldus een woordvoerder.

Ook in de bouw tonen de werkgevers scepsis. Zij voorzien praktische problemen. “De bouwvakkers rijden gezamenlijk in een busje naar de werkplek. Hoe los ik dat op?”, vraagt vice-voorzitter Christiaan Sas van de werkgeversorganisatie AVBB zich af. Daarnaast spelen de kosten een rol; als twee bouwvakkers een volledige baan delen, moet de baas zorgen voor vier schoenen met verzwaarde neus en twee helmen.

Zelfs de sector in het bedrijfsleven met de meeste deeltijders, het midden- en kleinbedrijf, sputtert tegen. De centrale werkgeversorganisatie KNOV weigerde in eerste instantie het akkoord in de Stichting van de Arbeid te ondertekenen. Gelijke rechten voor part-timers en full-timers ging het KNOV te ver. Secretaris Bert Vonk: “Moet een medewerker met een contract voor twintig uur ieder extra gewerkt uur als overwerk uitbetaald krijgen?” Na een aanpassing in de tekst zette de organisatie toch haar handtekening.

De weerstand van de werkgevers staat in scherp contrast met het enthousiasme van de vakbeweging. De FNV en het CNV beschouwen meer deeltijd als hèt wapen om de snel oplopende werkloosheid in een stagnerende economie te bestrijden. De geschiedenis heeft dit immers bewezen. Tussen 1987 en 1992 kwamen er in Nederland volgens het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) 660.000 banen bij, waarvan 350.000 in deeltijd. Als het om werken in deeltijd gaat, is Nederland koploper in de westerse wereld.

Uitgaand van een rapport van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) schatten de vakcentrales FNV en CNV dat uitbreiding van deeltijd honderdduizend mensen aan de slag helpt. En passant voldoet de vakbeweging ook aan de wensen van hun leden, die al lange tijd meer flexibiliteit in de arbeidspatronen willen.

Pag.12: Vakbonden willen af van tweederangs banen voor tweederangs werknemers

De omslag in het denken van de vakbeweging is opmerkelijk. Tot voor kort hielden de bonden vol dat bestaand werk moest worden verdeeld met behulp van collectieve arbeidstijdverkorting (ATV). Nauwelijks tien jaar geleden zei FNV-econoom B. Akkerboom in deze krant: “Deeltijd is geen alternatief voor algemene arbeidstijdverkorting.” De behoefte aan part-time werk was slechts “een bevestiging van de crisis” en leverde “geen structurele oplossing”.

i“Je kunt ons verwijten dat we er laat achter zijn gekomen”, zegt CAO-coördinator Lodewijk de Waal van de FNV. Hij noemt ATV nog altijd de juiste weg (“voor mij de koninklijke weg”), maar onbegaanbaar doordat de werkgevers een massieve blokkade hebben opgericht. Ook onder de eigen achterban heeft ATV, doorgaans vertaald naar een werkweek van 38 uur in plaats van 40 uur, nauwelijks aan populariteit gewonnen. In de meeste bedrijfstakennen ruilden de werknemers de automatische prijscompensatie in tegen ATV. Vervolgens bleef de verwachte herbezetting uit, ATV leverde nauwelijks meer werkgelegenheid op. Het resultaat was dat het personeel veelal hetzelfde werk in minder tijd moest doen.

Nu ATV niet tot aanzienlijk méér banen leidt, hoopt de vakcentrale met deeltijd toch de gemiddelde arbeidsduur in Nederland omlaag te brengen en zo het bestaande werk over meer mensen te verdelen. “Kan het niet linksom de werkgevers, dan maar rechtsom”, verzucht De Waal. Dreigt ook deeltijd op de onwil van de werkgevers te stranden? De FNV'er vertrouwt erop dat het bedrijfsleven uiteindelijk onder de maatschappelijke druk overstag zal gaan. Want een deel van werkend Nederland ambiëert geen volledige baan. Uit onderzoek van het OSA blijkt dat 13 procent van de mannen en 14,5 procent van de vrouwen korter wil werken.

Daarentegen vertrouwen de bedrijven op hun eigen argumenten. Bij Pack-O-Phane is deeltijd “onnodig” omdat een werkende moeder niet zou bestaan. Bij dagbladen als NRC Handelsblad, Het Parool en De Volkskrant is deeltijd “onmogelijk” omdat een journalist iedere dag een netwerk van contacten in stand moet houden. Bij Crédit Lyonnais is deeltijd “funest” voor de carrière. Hier wil 47 procent van de medewerkers minder werken, maar ze vrezen tegelijkertijd dat de kansen op promotie dan in rook opgaan. En bij de KLM is deeltijd “onuitvoerbaar” omdat de roosters dat niet toelaten.

Onuitvoerbaar! Een werknemer van de KLM - die niet met zijn naam in de krant wil - laat een venijnig lachje horen. De veertiger behoort tot het grondpersoneel van KLM. Een paar maanden geleden besloot hij minder te gaan werken en liep naar het afdelingshoofd. “Dat kan niet” zei deze en daarmee was de kous af. De werknemer was boos. Hij draait een onregelmatig rooster dat hem zwaar valt. “Ik houd geen tijd over voor het huishouden en mijn hobby's. Bovendien verslechterde mijn gezondheid.” Nu zit hij in de Ziektewet.

Bij de KLM kwam het afdelingshoofd op zijn beslissing terug. Werken in deeltijd kon, mits de man zijn baan voor de helft wilde inleveren en bovendien een collega vond die bereid was hetzelfde te doen. Dan ontstond immers een nieuwe, voltijdse vacature die makkelijk was op te vullen. “Maar van een gehalveerde baan kan ik niet leven.” Na veel gezeur mocht het personeelslid de gevraagde drie dagen per maand minder werken. Maar alleen als hij daarvoor zijn vakantiedagen inzette. Èchte deeltijd bleef onuitvoerbaar.

“De angst van werkgevers komt voort uit onwetendheid en gebrek aan fantasie”, zegt prof. dr. Jeanne de Bruijn, hoogleraar beleid en seksevraagstukken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het probleem van personeelschefs en directeuren zit volgens haar voornamelijk tussen de oren. “Typisch voorbeeld van waar een wil is, is een weg.” Werkgevers die zeggen dat deeltijd duur is, wijst De Bruijn op de voordelen. Onderzoek heeft uitgewezen dat part-timers over het algemeen harder werken en zich minder vaak ziek melden.

De Bruijn is opsteller van het Nationaal Zorgplan waarin ze pleit voor het combineren van zorg en arbeid. Daarvoor moeten zowel ondernemer als personeel flexibeler worden, meent ze. In haar visie werken schoolverlaters full-time, jonge ouders in deeltijd om vervolgens weer voltijds aan de slag te gaan en uiteindelijk gebruik te maken van een 'deeltijd-pensioen'. “Als we tenminste willen voorkomen dat deze generatie ook op zijn vijftigste is afgebrand.”

Vooral onder mensen met een hogere opleiding (en navenant inkomen) is minder werken in zwang. Maar de deeltijdbanen zijn op het ogenblik vooral te vinden in sectoren waar een hoge opleiding niet is gevraagd, zoals het vullen van de schappen bij Albert Heijn, het schoonmaken van kantoren in de late avonduren of het bedienen van café-klanten op vrijdag- en zaterdagavond.

In bedrijfstakken waar deeltijd makkelijk is te realiseren, gaat het niet om de meest gewilde banen. Werkgevers staan hier deeltijd toe omdat het werk te zwaar is om veertig uur per week uit te voeren of omdat het economisch voordeel voor de ondernemer oplevert. Veel datatypistes werken in deeltijd, omdat zij maar een beperkt aantal uren achter het beeldscherm mogen zitten. En het streekvervoer heeft part-time buschauffeurs in dienst die alleen tijdens de spitsuren werken.

Tweederangs banen voor tweederangs werknemers, zegt de vakbeweging. Vaak bouwt een part-timer, in vergelijking met een full-timer, onevenredig minder vakantiedagen op. Soms heeft hij geen recht op pensioen. Daarentegen menen de werkgevers dat iemand die op maandag en dinsdag werkt, ook op woensdag naar de tandarts kan. En geldt de huwelijksdag - een vrije dag als men trouwt - ook voor part-timers?

Een strijd die de werkgevers en de vakbonden de komende maanden aan de onderhandelingstafel moeten voeren, meent CAO-coördinator De Waal. Daarbij rekent hij op forse tegenstand uit het bedrijfsleven. Slechts af en toe gloort voor de vakbeweging een sprankje hoop. Zo ontving bestuurder Pentenga van de Industriebond FNV twee weken geleden bericht dat het Brabantse Pack-O-Phane een enqûete onder zijn werknemers had rondgestuurd, waarin gevraagd werd of zij in deeltijd wilden werken. De keuze was overigens beperkt; twintig uur of niets.

    • Yaël Vinckx