De strips van tekenaar Hermann; Niet voor smurf-lezertjes

Bekende striphelden die uit Belgische pennen en potloden kwamen zijn Kuifje van Hergé en Guust van André Franquin. De figuren van de Waalse tekenaar Hermann, auteur van De torens van Schemerwoude, zijn door het bordkartonnen decor gebroken. Hij maakt jongensboeken voor gevorderden.

De opheffing van het strip-weekblad Tintin bracht dit voorjaar de nodige paniek teweeg. In de afgelopen tien jaar werd onophoudelijk geroepen dat het slecht ging in de strip-branche, maar zolang drukkers overuren moesten maken om een gestaag uitdijende hoeveelheid strips op de markt te brengen, kon dat geklaag nauwelijks serieus worden genomen. Het verdwijnen van een striptijdschrift was op zichzelf ook al niet alarmerend; stripbladen hebben nu eenmaal de neiging snel op te komen en even snel weer onder te gaan. Dat Tintin (De Nederlandstalige versie heette Kuifje) na achtenveertig jaar ophield te bestaan maakte echter duidelijk dat er nu toch werkelijk iets aan de hand moest zijn in de stripwereld. Tintin belichaamde immers een traditie. Met concurrent Spirou vormde het blad het fundament van de Belgische stripcultuur. De rivaliserende bladen werkten volgens een vergelijkbare formule, zij het dat Spirou het accent op humor legde, terwijl Tintin wat meer realistische strips publiceerde. Samen hadden ze zulke uiteenlopende stripfiguren als Kuifje, Guust, Lucky Luke, de smurfen, Olivier Blunder en Blueberry voortgebracht.

De bladen, beide gevestigd in Brussel, waren een instituut. Dat woord verraadt misschien waar de huidige moeilijkheden uit zijn voortgekomen. Hoeveel Tintin en Spirou ook tot de ontwikkeling van het stripverhaal hebben bijgedragen, eenmaal tot traditie verworden was diezelfde ontwikkeling langzaam maar zeker tot stilstand gekomen.

De opheffing van Tintin geeft eens te meer aan dat het stripverhaal zich de laatste jaren commercieel èn artistiek in een overgangsfase bevindt. Een ontwikkeling die wordt weerspiegeld in de carrière van de Waalse tekenaar Hermann. Dat hij tien jaar geleden een breuk forceerde met scenarioschrijver en Tintin-hoofdredacteur Greg, kan nauwelijks toeval worden genoemd. De scheiding was veelzeggend: terwijl Hermann er in de loop der jaren in geslaagd was zijn avonturenstrips naar een hoger plan te tillen, besteedde Greg steeds minder aandacht aan zijn scenario's. Hermann beschuldigde zijn scenarist ervan nauwelijks interesse voor zijn karakters te tonen en verklaarde voortaan 'kapitein op eigen schip' te willen zijn. Hij beëindigde de samenwerking met Greg en begon te werken aan een indrukwekkende, zelfgeschreven verhalenreeks: De Torens van Schemerwoude. De inspiratie voor deze strips over de omzwervingen van een middeleeuwse ridder putte hij deels uit zijn jeugdherinneringen. Hermann Huppen werd in 1938 geboren in het dorp Bévercé in de Belgische Ardennen. Als kind speelde hij graag in kasteel Rheinhardstein nabij zijn woonplaats en fantaseerde daar over het ridderbestaan. Op vijftienjarige leeftijd volgde hij in Brussel een avondcursus tekenen. Niet veel later werden zijn eerste strips gepubliceerd.

Het was uitgerekend Greg (echte naam: Louis Regnier) die Hermann in de jaren zestig naar Tintin haalde in een succesvolle poging het blad te vernieuwen. Hermann werd gezien als representant van 'Het Nieuwe Realisme'. Deze tekenstijl was door de Fransman Jean Giraud met de Western-strip Blueberry geïntroduceerd en had sindsdien opgang gemaakt. Door Greg geschreven scenario's voor de western Comanche en een strip rond de avonturier Bernard Prince werden door Hermann uitgewerkt.

Zieleroerselen

Aldus geschoold in de avonturen-traditie van de Belgische weekbladen, begon Hermann in de loop van de jaren '70 steeds meer een individuele stijl te ontwikkelen. Aan een virtuoze tekentechniek koppelde hij een uitgekiende regie. Zoals de kwaliteit van een film valt of staat met de dosering van de beelden zijn verhaalopbouw en pagina-indeling van groot belang voor de kwaliteit van een strip. Hermann kreeg steeds meer inzicht in de verteltechnieken die een tekenaar ter beschikking staan. Daarnaast ging hij zich meer interessen voor de zieleroerselen van zijn personages. “Bernard Prince heeft papieren karakters. Greg heeft daar helemaal niet aan gewerkt,” oordeelde hij in 1985 in een interview met het blad Striprofiel. “Ik probeer dieper op de mensen in te gaan.” Hermann had zich bij het tekenen van het Comanche verhaal Het lijk van Algernon Brown geërgerd aan het scenario van Greg. “Dat zat vol afgedankte ideeën. Het was vervelend om te doen en ik was blij toen het af was.” Uit balorigheid had hij een paar anachronistische grapjes in de tekeningen verwerkt. In de negentiende-eeuwse western-setting lopen Japanse toeristen met grote fototoestellen rond en een uithangbord naast de saloon meldt in grote letters Toyota.

Dergelijke rebellie is allerminst gebruikelijk. De manier waarop striptekenaars tegen hun ambacht aankijken laat zich vergelijken met de beroepsopvatting die schilders er een paar eeuwen terug op nahielden. Geschoold door oudere collega's leggen ze de nadruk op de ambachtelijke aspecten van het vak. Het werk staat niet al te veel artistieke pretenties toe. Zoals in de schilderkunst van weleer een klein aantal grote meesters de toon zette en anderen zich tevreden stelden met een rol als navolger, laat het gros van de striptekenaars zich door uitgever of hoofdredacteur dicteren. Hoewel kunstzinnige aspiraties niet geheel ontbreken, komen tekenaars er zelden toe hun talent volledig uit te buiten; dáár worden ze immers niet voor betaald. Dat zich in de afgelopen decennia niettemin zoiets als een volwassenen-strip heeft ontwikkeld is te danken aan een handje vol tekenaars dat de aandrang en de durf heeft gehad aan dergelijke conventies te morrelen.

Het is duidelijk dat Hermann tot dat groepje behoort. Hij heeft zich ontwikkeld tot een 'auteur'. Het aantal striptekenaars dat met deze gewichtige titel kan worden aangeduid is klein. Twee Brusselaars nemen op de top van de Olympus een belangrijke plaats in. Hergé (Georges Rémi), heeft als schepper van Kuifje en grondlegger van de 'Klare Lijn' de erkenning gekregen die hij verdient. Ook André Franquin die met een onovertroffen losse tekenstijl zelfs van flauwe grappen nog humoristische pareltjes wist te maken steekt hoog boven het maaiveld uit. Andere Belgische tekenaars als Morris (Maurice Debevere) en Peyo (Pierre Culliford) kunnen met de beste wil van de wereld niet als auteur worden betiteld. Met hun creaties Lucky Luke en de Smurfen hebben ze - geen geringe verdienste - een miljoenenpubliek vermaakt. Maar het zijn navolgers; capabele representanten van een school.

Zeerovers en legionairs

'Ik maak mijn strips niet voor smurf-lezertjes.' heeft Hermann zich eens laten ontvallen. Voor wie dan eigenlijk wel? Waarschijnlijk voor lezers die met de tekenaar zijn meegegroeid. Te oud geworden voor de stripweekbladen, kopen ze nog wel albums. Hermann bedient deze doelgroep met jongensboeken voor gevorderden. De invloed van Tintin en Spirou is op de achtergrond nog altijd in zijn strips aanwezig. Bijna een halve eeuw werden de bladen bevolkt door piloten, ridders, ruimtevaarders, zeerovers, Romeinse legionairs, scheepsjongens, detectives, cowboys, indianen en ontdekkingsreizigers. Dat Hermann uit deze traditie voortkomt, is aan zijn personages te merken; het zijn nog altijd avonturiers die snel naar de wapens grijpen. Jeremiah zwerft door een onttakelde, post-nucleaire wereld waar het recht van de sterkste geldt. En ridder Aymar, hoofdpersoon uit De torens van Schemerwoude, ontmoet evenmin veel vriendelijkheid op zijn omzwervingen. Maar... Aymar en Jeremiah zijn géén helden in de traditionele zin van het woord. Daarvoor zijn ze te zelfzuchtig, te opportunistisch en te veel door twijfels bevangen. Hermanns personages zijn op een dag door het bordkartonnen decor waarin ze figureerden heen gebroken en hebben hun bestaan sindsdien voortgezet in de grote boze buitenwereld.

Tijdens een fietstochtje zag Hermann eens hoe een man een kip knuffelde. Hij vond het een grappig, ontroerend tafereel en gebruikte het beeld in het tweede deel van De Torens van Schemerwoude. Eén van de personages daarin is een oude man die zeer aan zijn kip gehecht is. Het dier wordt in de loop van het verhaal door een groep hongerige mensen opgegeten. Commentaar van Hermann: “Ik geloof niet in happy ends, die bestaan niet in het leven.”

    • Erik Spaans