De draad is niet gebroken; Gerard Adam over gedesillusioneerde veertigers

Gérard Adam: Le Chemin de Sainte-Eulaire. Uitg. Luce Wilquin Editrice, Dour/Lausanne, 155 blz. Prijs ƒ 34,50.

Zelfs zonder dat ik de biografische gegevens op de achterflap heb geraadpleegd, weet ik al op bladzijde 12 hoe oud de auteur is, omdat hij schrijft over “zijn vrouwelijke leeftijdgenoten, die met de menopauze in zicht meer en meer de neiging krijgen om slaapkamer-opmerkingen in een medische encyclopedie te laten veranderen.” Zo iemand is van vlak na de oorlog, maakt deel uit van de generatie die ik onlangs beeldend betiteld zag als 'een prop in de demografische opbouw'. En het klopt: Gérard Adam is in 1946 geboren in het Belgische Onhaye. Als schrijver is hij een late roeping. Hij debuteerde in 1988 met L'Arbre Blanc dans la Forêt Noire, dat vorig jaar bij Kritak in een Nederlandse vertaling verscheen. De dit najaar verschenen verhalenbundel Le Chemin de Sainte-Eulaire is zijn vierde boek.

Het biografische element in deze verhalenbundel is de leeftijdfase. Een jaar of wat geleden bracht de veertig-jaargrens van de 'demografische prop' een vorm van collectieve midlife-crisis teweeg, in de literatuur evengoed als in de samenleving. Met het naderen van de 'echte' ouderdom, die dreigende grens van vijftig jaar, komt de gedesillusioneerdheid binnen, de confrontatie met veel definitief gesloten deuren.

Adam voert in zijn drie ongeveer even lange novellen drie hoofdpersonen op die niets met elkaar gemeen hebben, behalve dat ze op eenzelfde punt in hun leven zijn aangeland. Een onverwachte gebeurtenis - een operatie, de dood van een geliefde, een aanval op een onaantastbaar geachte positie - brengt hen in een toestand van plotselinge onzekerheid over de toekomst én het verleden.

Het is niet makkelijk om daar op een acceptabele manier over te schrijven. In het derde verhaal is Adam daarin ook niet geslaagd. Alleen al de titel is een veeg teken: Oostbroek en Prometheus. De combinatie is te gezocht, en aan datzelfde manco lijdt het verhaal. De strakheid die de schrijver aan de andere verhalen heeft weten te geven, ontbreekt hier. De terugblik van een man die twintig jaar in verre landen heeft rondgezworven, is geplaatst in het namaak-exotisme van een uit de grond gestampt luxe vakantie-oord dat Carribean Parc heet. Dit Carribean Parc ligt in Oostbroek, de winderige grijze badplaats waar de hoofdpersoon als kind naargeestige familievakanties doorbracht. Een onnatuurlijk toevallige ontmoeting met een groep mensen uit zijn eerste Afrikaanse standplaats leidt tot een wat gekunsteld 'happy end'.

Veel fijnzinniger zijn de eerste twee verhalen. L'Allumeur de Réverbères en het titelverhaal, Le Chemin de Sainte-Eulaire. Al dan niet met opzet roept deze titel associaties op met een beroemde vroeg-middeleeuwse tekst uit dezelfde streken, La Cantilène de Ste. Eulalie. Het originele plot speelt zich af rond een heiligenlegende die het leven van een aantal - niet-religieuze! - jongeren uit een Belgisch dorp beheerst. 'Zeven taferelen uit de legende, zeven maal gespeeld, op zeven verschillende plekken in de oude stad, elke zeven jaar al sinds het einde van de Middeleeuwen, door zeven Compagnons, die allen zijn geboren in een jaar dat de optocht plaatsvindt, en die op deze wijze het leven van de Heilige doorlopen, althans degenen die het volhouden, van zeven jaar tot zeven maal zeven jaar, voordat zij de Ouden worden, de welwillende beschermheren en -vrouwen van de broederschap.' Net als de beide andere verhalen speelt Le Chemin zich binnen de tijdseenheid van één dag af. Het karakter van 'kostuumvertelling' geeft hier een extra dimensie, want die ene dag is de dag van de optocht. Ook het terugblikken, veelvuldig in elk van de verhalen aanwezig, krijgt hierdoor telkens afstand naast grote directheid: naast 'De Heilige neemt in de gemeenschap een steeds grotere plaats in', een passage als 'Niets zal meer zijn zoals het was. Madeleine gaat dood, de groep zal uiteenvallen.'

De leraar die al tweeëntwintig jaar in zijn vakantie naar Vercors gaat om te wandelen, maar zich dit jaar heeft voorgenomen daar een roman te schrijven - dat is als onderwerp een stuk couranter. L'Allumeur de Réverbères moet het dan ook veel meer hebben van de bijzondere wijze waarop Adam de ervaringen van Nicolas Destenay beschrijft. Prachtig is bijvoorbeeld de passage waarin de leraar voor het raam van zijn hotelkamer staat, en tegelijkertijd ziet hoe beneden hem een jeu-de-boules-wedstrijd wordt gespeeld en een paar honderd meter verderop een bergparachutist verongelukt.

“Op driehonderd meter van elkaar vormen zich nu microkosmossen, waartussen hij als enige een verbindingsstreep vormt. Daarginds raken mensen in paniek, het hoofd van de gewonde man wordt opgetild, er wordt om hulp geroepen; onder zijn raam maken mensen zich druk over de vraag wie tegen wie zal spelen.” Ook de afloop van dit verhaal is evenwichtig en bevredigend. “De draad van zijn leven is niet gebroken. Niets dan een aarzeling, een huivering, en nu zet het zich schijnbaar onveranderd voort.”

Ondanks het niet-geslaagde derde verhaal, kan Gérard Adam zich moeiteloos meten met veel hedendaagse Franse schrijvers. De vraag of hij herkenbaar een Belgische auteur is, is moeilijk te beantwoorden. Over het geheel genomen sluit deze bundel qua thematiek en stijl naadloos aan bij de Franse literatuur. Hooguit is er iets in de sfeer van de verhalen, in de benauwdheid van het dorps- of familieleven waaraan de hoofdpersonen proberen te ontsnappen, dat bijvoorbeeld sommige chansons van Jacques Brel voor de geest roept. En er zullen maar weinig Fransen zijn die een verhaal opdragen 'aan Roland Van den Bogaert'. Dat herinnert ons aan de fysieke nabijheid van een literatuur waarvan men in Nederland maar heel weinig weet heeft.