Black doc

Iedereen was al snel vergeten hoe we ook alweer aan 'm gekomen waren. De enkele keer dat wij daar vroeger nog wel eens over spraken, dacht de een dat hij gewoon was komen aanlopen, een ander dat onbekenden hem met een touw aan ons tuinhek hadden vastgebonden.

Feit is dat sinds zijn komst alles in huis is veranderd. Niet op slag maar geleidelijk. In het begin dacht ik, betrekkelijk geïsoleerd als wij hier wonen, ach een waakhond kan geen kwaad, en de kinderen waren dol met 'm. Ze namen 'm mee het dorp in, lieten hun vriendjes trots zijn brede kaken zien, en noemden 'm slechts half-grappend hun 'grote broer'.

Later verdwenen ze soms hele dagen met hem het bos in. Wanneer ze na zo'n dag terugkwamen, met de hond fier voorop, hadden ze altijd iets schichtigs in hun blik en iets dofs. Het duurde dan heel lang voor ik weer hardop hoorde praten, laat staan lachen.

Wanneer ik vroeg hoe het geweest was in het bos, probeerden ze aanvankelijk nog wel om mij gerust te stellen met een verhaal over een vossejacht of spoorzoeken of een verlaten dassenburcht, maar je kon de leugen proeven. Wanneer ik me had omgedraaid (zag ik een keer via de spiegel in de gang) keken ze me na zoals je een ernstig zieke nakijkt die niet weet dat hij ziek is of in ieder geval doet alsof, met een mengeling van minachting en medelijden. Dat was voor de tijd dat ze ook zo naar elkaar begonnen te kijken.

Mijn vrouw had al eens gezegd dat ze er spijt van had dat we 'dat beest' in huis hadden gehaald. Ze vertelde van een avond dat ze alleen thuis was geweest, en dat hij haar overal in huis was achternagelopen. Steeds hoorde ze achter zich het getik van zijn poten over de houten vloer, en wat ze ook aantrok, ze bleef het gevoel houden dat ze naakt was. Toen ze vlak voor het naar bed gaan nog even bij de open haard zat en zich in de veronderstelling dat hij sliep over de hond heenboog, had ze gezien dat zijn ogen wijdopen waren en roodgloeiend - alsof hij zich voedde aan het vuur. “Hij moet weg”, had ze toen gezegd.

Een halve dag heb ik rondgereden, zogenaamd op zoek naar een geschikte plek waar ik niet de kans liep betrapt te worden als ik hem uit de auto zette, maar waar hij wèl snel gevonden zou worden. Hoe langer de rit duurde en hoe vaker ik in mijn achteruitkijkspiegeltje tegen de ondergaande zon zijn silhouet onverstoorbaar rechtop op de achterbank zag zitten, hoe zwakker ik werd. Niet uit schuldgevoel, maar vanuit de zekerheid dat het al te laat was, zoals het waarschijnlijk ook te laat was geweest voor de mensen die hem ooit aan ons hek hadden vastgebonden. Toen ik die avond ons erf opreed en mijn vrouw zag hoe ik het portier opende voor de hond die zich als een prins uit de auto liet glijden, liep ze zonder een woord te zeggen het huis binnen. Het onderwerp is nooit meer ter sprake gekomen.

Ik scheer me nu nog zelden, terwijl het vroeger ondenkbaar was dat ik de dag zou beginnen zonder het verkwikkende zingen van een scheermes. 's Avonds wacht ik tot ik zeker weet dat mijn vrouw slaapt voordat ikzelf de slaapkamer binnenga, geschaduwd door de hond die zich even later zacht grommend, gemeen stinkend en zwaar als een loden bal aan het voeteneind van het bed uitstrekt. Wanneer mijn vrouw en ik elkaar even raken, met een voet, een elleboog of een heup, kunnen we ons niet meer herinneren waar dat vroeger meestal toe leidde, of in ieder geval doen we net alsof.

Laatst vond ik een verhaal van Borges over een geheimzinnig wezen met een onuitsprekelijke naam, dat onderaan de wenteltrap binnenin een of andere allegorische toren, vormloos als de toekomst, op bezoekers wacht. Pas wanneer iemand een voet op de onderste trede zet komt het tot leven en bij elke stap die het vervolgens mee omhoog loopt, neemt het duidelijker en oogverblindender gestalte aan. Aangeland bij het terras op het dak van de toren, dat uitzicht biedt op de hele wereld, straalt het wezen van een schaduwloze volmaaktheid. In de loop der eeuwen is het precies eenmaal gebeurd dat iemand zo ver is gekomen. Ik stel me voor dat er van de bodem van die toren ook een wenteltrap omlaag gaat en dat het wezen dat daarop met je mee naar beneden loopt bij elke trede steeds onmiskenbaarder de inktzwarte gedaante aanneemt van de hond aan mijn voeten.

Kortademig piepende orgeltonen, begrafenisdrums, zilveren belletjes, een rillerige gitaar: muziek die klinkt als het jammeren van de wind in de telefoondraden, over een vlakte waar net het kraken van vijf schoten is verstorven. De stem op de band van het antwoordapparaat van het politiebureau is geïdentificeerd als die van zanger-songschrijver Jesse Winchester:

Black dog upped and sniffed his plate,

steaming on the stove The kids ain't seen you home all day,

you're a gentleman born to roam.

(refrein)

Black dog don't believe in sin

Think of where the black dog's been

Think of where he's been today

Have you seen the black dog's teeth,

sharp like a knife Have you seen him tear upon a throat to

take a life.

Have you seen the black dog's eyes

staring in the fire It would not occur to him to question

your desire

I've always had a fear of creatures

crying in the dark And every form of evil seems to bear an

evil mark

My woman lays beside me and my black

dog's at my feet She keeps me from my wandering life

and he robs me of my sleep

I don't know the black dog's name, when

I call him he don't come How I ever got that black dog, Lord, I

sure never wanted one.

    • Roel Bentz van den Berg