Werkgroep moet Europa overdenken

Tijdens de buitengewone bijeenkomst van EG-leiders die morgen in Brussel wordt gehouden, komen met het oog op de uitbreiding van de Gemeenschap institutionele kwesties aan bod. Wie denkt dat dergelijke kwesties beter kunnen worden uitgesteld, zodat de vermoeide Europeanen wat rust krijgen, vergist zich. Er moet met spoed een Europese werkgroep worden gevormd die zich onder leiding van een prominente Europeaan zal wijden aan de opbouw van nieuwe structuren.

Nu de inwerkingtreding van het verdrag van Maastricht een feit is geworden en de uitbreiding van de Gemeenschap nadert, komen de institutionele kwesties eindelijk weer aan bod in het Europese debat. Frankrijk heeft altijd gewild dat de institutionele gevolgen van deze uitbreiding gelijk met, of zelfs vóór de toetreding van de vier kandidaat-lidstaten worden behandeld. Duitsland, dat tot nog toe vooral de versterking van de politieke unie voorstond, heeft zich onlangs uitgesproken voor de opening van het institutionele debat tijdens de buitengewone Europese Raad die voor morgen is gepland. En zelfs het Verenigd Koninkrijk begint te vrezen voor een verlies van de nationale soevereiniteit dat, bij gelijke instellingen, het gevolg zou kunnen zijn van de toetreding van vier nieuwe lidstaten. De tijd lijkt dus rijp om dit belangrijke vraagstuk op tafel te gooien en dat is maar goed ook.

Om te beginnen houdt de broodnodige herwaardering van de Europese opbouw in de publieke opinie veel meer in dan een nieuwe diplomatieke onderhandeling over het wegen van de stemmen in de Raad, het aantal commissarissen en alle andere institutionele schikkingen die deze uitbreiding vereist. De val van de muur van Berlijn, het trauma van Maastricht en de mengeling van verstarring en voorwaartse vlucht, die hierop volgde, hebben de bewoners van de Gemeenschap (en van de kandidaat-staten) vervuld met vragen over de doelgerichtheid van de Europese structuur in het nieuwe tijdperk na de koude oorlog, over de middelen om de gemeenschapsinstellingen efficiënter, doorzichtiger en verantwoordelijker te maken, over het meest geschikte institutionele model voor een politiek Europa en over de gewenste verdeling van de macht tussen dit Europa en de naties die er deel van uitmaken. Deze vragen zijn voortaan nauw verbonden en schemerden reeds door het debat over Maastricht, waarvan we nooit genoeg zullen herhalen hoezeer het heeft geleden onder het feit dat het verdrag deze vragen in hoge mate heeft verwaarloosd.

Wie denkt dat dergelijke vragen zorgvuldig verhuld dienen te worden, omdat er behoefte zou bestaan aan een pauze in de Europese integratie, schat de situatie volledig verkeerd in: intergouvernementele besprekingen en een politieke besluitvorming mogen dan voorbarig zijn, dat neemt niet weg dat het verlangen naar uitleg en helderheid, de behoefte aan voorlichting over het Europese project, en met name de hier vermelde aspecten ervan, bij de inwoners van Europa steeds dringender worden.

Vreemd genoeg vragen de huidige crisissituatie en de politieke en intellectuele complexiteit van de uitdagingen waarvoor Europa zich nu gesteld ziet om de terugkeer naar een methode die reeds vruchten heeft afgeworpen tijdens de wording van Europa - toen de commissie-Spaak het Verdrag van Rome uit de crisis van de Europese Defensie Gemeenschap wist te toveren. De originaliteit van de werkgroep, waarvan de instelling hier wordt voorgesteld, onder leiding van een toonaangevende onafhankelijke Europese persoonlijkheid, schuilt in de eerste plaats in de vaststelling van haar mandaat. Dit moet betrekking hebben op:

- de institutionele gevolgen van de naderende uitbreiding;

- de aanpassingen van de gemeenschapsinstellingen in reactie op het "democratisch deficit' dat duidelijk naar voren is gekomen in de besprekingen over de ratificatie van het verdrag van Maastricht;

- de versterking van het politieke aspect van de Europese Unie;

- de mogelijke strategieën voor de integratie van het Europese continent.

Deze commissie moet vooral verhelderend te werk gaan en met voorstellen komen voor de verschillende opties voor de opbouw van nieuwe Europese structuren. Vervolgens moet de commissie, voor elk van de gekozen opties, aanbevelingen formuleren voor de herziening van de verdragen en deze, waar nodig, voorzien van een kalender met streefdata.

Het samenstellen van een dergelijke werkgroep is natuurlijk een netelige, maar tegelijk zeer belangrijke kwestie. Om de uitvoering van het mandaat niet te vervormen, mogen er namelijk geen vertegenwoordigers van staten of gemeenschapsinstellingen in zitten en mag de commissie nog minder een politieke lichaam worden. De commissie moet onder een door de twaalf lidstaten benoemde voorzitter staan en uitsluitend bestaan uit politiek onafhankelijke personen van verschillende nationaliteiten die een gedegen ervaring in Europese zaken verenigen met denkkracht en vernieuwingsdrang.

De menging van generaties is een ander essentieel kenmerk van dit initiatief. De generaties die de EG hebben gebouwd zoals zij vandaag bestaat en de generaties die met de eenheidsmarkt en de val van de muur van Berlijn hun posities van verantwoordelijkheid hebben ingenomen en in de loop van de volgende twintig jaar gestalte zullen geven aan de Europese unie, moeten elkaar in deze commissie kunnen ontmoeten.

Om redenen van efficiëntie en om te vermijden dat de Commissie op een vermomde intergouvernementele conferentie gaat lijken, dient het aantal leden aanzienlijk minder dan twaalf te zijn (in het ideale geval zeven of acht), met dien verstande dat de samenstelling van de leden de verschillende gevoelige punten en nationale belangen weerspiegelt die in het debat aan de orde komen.

De werkzaamheden van de Commissie verlopen in een geest van ideologische neutraliteit, zonder vooropgestelde ideeën over het eindpunt van de Europese unie. De Commissie moet een open structuur hebben, met ruimte voor overleg met en verhoor van alle betrokken partijen zoals nationale politieke partijen, economische instanties, gemeenschapsinstellingen, kandidaatstaten, nationale overheidsdeskundigen en experts uit academische kringen.

Het belang van de kalender voor de instelling en de werkzaamheden van deze Commissie wordt bepaald door het vooruitzicht van de ophanden zijnde uitbreiding. De Twaalf zijn vandaag verdeeld tussen staten die het institutionele werkterrein vóór de uitbreiding willen openleggen, en staten die, om redenen die verband houden met hun visie op Europa of met het behoud van hun verworvenheden, huiveriger staan tegenover een ingrijpende institutionele hervorming vòòr deze uitbreiding. Op dit specifieke punt zou de instelling van de Commissie een soort compromis kunnen zijn tussen deze beide houdingen. Bovendien zouden de veralgemening van de politieke en institutionele vraagstukken die onder het mandaat van de Commissie vallen en de ideologische neutraliteit waarin zij te werk gaat, elk van de lidstaten moeten aansporen om zijn belangen te behartigen door mee te werken aan het opstellen van de agenda.

Met het oog op dit alles is de bijeenkomst van de Europese Raad die eind dit jaar het Belgische voorzitterschap afsluit de beste gelegenheid om dit project aan te kondigen en de persoon te benoemen onder wiens leiding het uitgevoerd moet worden. Vervolgens kan de werkgroep vrij snel gevormd worden om zijn werkzaamheden in de loop van 1994 te verrichten. Een openbaar debat van hoog niveau over de politieke en institutionele toekomst van Europa kan in dat geval vóór de uitbreiding en de herziening van de verdragen gevoerd worden binnen de Gemeenschap en binnen de toetredende staten.

    • Laurent Cohen Tanugi