Verzwolgen in het zwarte gat bij Norg

Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels, door Rob G. Bijlsma, met medewerking van Anne-Marie Blomert, Willem van Manen en Maria Quist.

Uitg. Schuyt & Co, Haarlem, 1993. 350 pag, 190 ill. in kleur en 200 in zw.wit. Prijs ƒ 98,- (Intekenprijs tot 1 maand na verschijnen ƒ 85,-)

ISBN 90 6097 348 8.

In triomf keren ze terug, de roofvogels die in de loop van deze eeuw bijna helemaal waren uitgeroeid. Dat is de zonnige boodschap van de ecologische Roofvogelatlas, die zaterdag op het Biologisch Station in Haren werd gepresenteerd. De tekst sprankelt en de foto's zijn adembenemend. De honderden vrijwilligers die aan het projekt hebben meegeholpen kunnen tevreden zijn.

Er zijn uitzonderingen. De Rode Wouw, een schitterende vogel die aan de oostgrens van ons land staat te trappelen om gebied te veroveren, maakt nog steeds geen schijn van kans. Want als typische aaseter wordt hij prompt het slachtoffer van meestal moedwillige vergiftiging door de mens in een poging tot wat wel als "natuurregulatie' wordt aangeduid. Datzelfde lot treft in wat mindere mate havik en buizerd. Vooral in Noord-Brabant en Limburg zijn deze soorten nog sterk ondervertegenwoordigd in verhouding tot de beschikbare leefruimte.

Maar in grote lijnen gaat het de roofvogels beter dan ooit, zo blijkt uit het boek. Ze zijn wettelijk beschermd, de giftigste bestrijdingsmiddelen zijn inmiddels verboden en daarbij profiteren ze volop van de aanplant van bossen in de loop van deze eeuw.

In de Roofvogelatlas kom je twaalf soorten tegen, prachtig gefotografeerd, in volle vlucht, in bad, in rust-maar-toch-alert. Vooral die donzige kuikens met hun montere blik zijn superschattig om te zien, vaak omringd door half-afgekloven konijntjes en soms het pootje van hun jongste broertje nog uit hun snavel. ...""Bij de volgende controle, op 10 juni,'' zo meldt auteur Rob Bijlsma over een Drents buizerdnest dat hij viermaal bezocht, ""was het kleinste jong verworden tot een schlemiel, met kaalgepikte kop, beschadigd rechteroog en kapotgepikte vleugelboeg. Af en toe kreeg hij een snavelhauw van één van zijn nestgenoten, wat hem niet belette doordringend te bedelpiepen. De volgende dag woog het kleinste jong nog maar 231 gram en op 21 juni werd zijn ring in een braakbal op de nestrand teruggevonden...''

Autodidact

Bijlsma (38) geldt zelf als een zeldzame vogel onder zijn vakbroeders. Hij is autodidact, leeft van brood met kaas, werkt af en toe eens een tijdje voor een uitzendbureau en brengt de rest van zijn dagen door in het bos, waar hij met klimhaken aan zijn laarzen van tak naar tak klautert en door de jaren heen een fenomenale roofvogelkennis heeft opgebouwd. Zijn boek bevat een aantal inleidende hoofdstukken over de recente veranderingen in het Nederlandse landschap, over de wisselende weersomstandigheden (die van grote invloed zijn op de vogelstand) en over de gevolgde methoden.

Het eindigt met een tamelijk gruwelijke beschouwing over roofvogelvervolging en een vergelijking van soorten. Daar tussenin krijgen de twaalf soorten die in ons land (horen te) broeden elk een eigen hoofdstuk. Schaarse vogels als Rode en Zwarte Wouw, worden in enkele bladzijden afgedaan, veel voorkomende vogels als havik, buizerd en sperwer krijgen elk zo'n dertig pagina's. Daarin komen alle mogelijke facetten uit hun dagelijks leven aan bod vanaf het eerste moment dat ze luidkeels piepend uit het ei kruipen. De partnerkeus, het beste nest, het aftroggelen van prooien, het omgaan met thermiek, de gevaren van de trek en de optimale lengte van de teennagels worden met aanstekelijk enthousiasme uit de doeken gedaan.

Om al die gegevens aan te dragen zijn honderden vrijwilligers in touw geweest. De Werkgroep Roofvogels Noord- en Oost-Nederland werd in 1982 opgericht om roofvogelvervolging te bestrijden en telt inmiddels 550 leden. Ze hebben alle bossen en bosjes in hun regio doorkruist en daar volgens zorgvuldig gestandaardiseerde methoden de nesten in kaart gebracht, eieren geteld en jonge vogels geringd en gewogen, rondslingerende veertjes en botjes van duizenden prooiresten gedetermineerd. Al dit veldwerk van de afgelopen jaren moet nu, aangevuld met literatuurgegevens uit de rest van ons land, een nagenoeg compleet beeld van de roofvogelstand opleveren.

Zoals gezegd, dat beeld stemt hoopvol. De buizerd bijvoorbeeld is nu talrijker dan de havik. Toch waren er rond de eeuwwisseling, toen ook vogelbeschermers vervolging predikten om de kleine zangvogels te beschermen, nog maar enkele tientallen paren over. Na de invoering van de Vogelwet in 1936 werd hij althans op papier beschermd, maar de invoering van landbouwgiffen als DDT, aldrin en dieldrin werd hem bijna fataal. Alleen al in het voorjaar van 1960 werden zo'n 100 dode dieren uit de velden geraapt, misschien wel de helft van de toenmalige stand. Inmiddels zijn er weer 5 tot 6000. In het rivierengebied en West-Nederland is de buizerd bezig aan een spectaculaire opmars met het extreem goede veldmuizenjaar 1990 als voorlopig hoogtepunt. De buizerds die 's winters als dikke proppen op weidepaaltjes zitten en zelfs door automobilisten worden opgemerkt, zijn het levende bewijs van de toegenomen dichtheid in binnen- en buitenland. Want een deel van deze vogels komt uit Duitsland en Denemarken waar de Buizerd eveneens talrijker is geworden.

Heterdaad

Roofvogelvervolging echter komt nog steeds voor. De daders worden zelden op heterdaad betrapt. De eenvoudigste manier om er achter te komen is volgens de schrijvers van de atlas het analyseren van de leeftijdsopbouw van een broedvogelpopulatie in een bos. Als die ontregeld is, is er iets mis.

Berucht is de boswachterij bij het Drentse Norg waar je de dode haviken, naar verluidt, haast van de paden kunt plukken. Binnen enkele dagen zijn die territoria opgevuld door nieuwe vogels, meestal jonge, onervaren vrouwtjes, met een matig broedsucces. Ze brengen minder jongen groot dan onder de gegeven omstandigheden nodig is om de soort hier te behouden. Dat de soort hier desondanks stand houdt, komt vooral doordat de gelederen voortdurend uit de omgeving worden aangevuld. In de Roofvogelatlas wordt deze boswachterij omschreven als een soort Zwart Gat dat roofvogels uit de omgeving aanzuigt en opslokt zonder dat er weer jonge vogels grootkomen. Normaal moeten jongvolwassen vogels drie tot vijf jaar zwerven voordat ze een eigen territorium kunnen bemachtigen en zich gaan voortplanten. Zij zijn minder kwetsbaar voor vervolging dan territoriumhouders omdat ze minder plaatsgebonden en dus ook minder zichtbaar zijn. Ze willen best verhuizen naar enkele tientallen kilometers verderop als daar toevallig een nest vrijkomt omdat de bewoner is doodgegaan. Maar omdat ze eigenlijk nog te jong zijn om voor een eigen nest te zorgen komt daar niet veel van terecht.

In het zuiden van het land worden veel meer roofvogels vergiftigd en is de roofvogelstand naar verhouding laag. Misschien worden mensen nog wel eens wijzer. Aan de makers van de Roofvogelatlas zal het niet liggen.