Vader Aristide betaalt het licht voor zijn weeskinderen

PORT-AU-PRINCE, 28 OKT. Emmanuel (17) en Joseph (15) brengen hun dagen door tussen angst en hoop. Als bewoners van het weeshuis Lafanmi Selavi ("La famille c'est la vie' in het Creools, "de familie is het leven') zijn ze voortdurend het doelwit van de attachés, bendes gewapende mannen die zijn verbonden aan het militaire regime. Maar als "zonen van Aristide' leven ze met de hoop dat hun "vader', de president, snel zal terugkeren naar Haïti. En dat alles dan weer goed wordt.

Een vervallen, half afgebrande villa nabij het centrum van de hoofdstad. Een hoge muur beschermt Lafanmi Selavi van de buitenwereld, maar recente bedreigingen hebben geleid tot de permanente bewaking van de wezen en de straatkinderen door twee employés van een particuliere bewakingsfirma. De kosten hiervan worden betaald door "rijke vrienden' van het project in het buitenland. Lafanmi Selavi is afhankelijk van buitenlandse subsidies, onder andere uit Nederland.

Lafanmi Selavi werd in 1986 opgericht door een toen nog onbekende Salesianer priester, Jean-Bertrand Aristide. Behalve wezen werden ook kinderen opgenomen die terecht waren gekomen in het straatleven van de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. De ouders van Emmanuel, die nu ruim vier jaar in het weeshuis woont, leven nog, hoewel ze wonen in Cap Haïtien aan de andere kant van het eiland. In Lafanmi Selavi leerde Emmanuel Spaans en kreeg hij een monteursopleiding. Andere jongens werden opgeleid tot elektriciën of timmerman. De onderwijsprogramma's functioneren nauwelijks meer; in de economische crisis van Haïti is alles nu gericht op overleven.

Het weeshuis onderhoudt nog altijd nauwe banden met de verdreven president. De rekeningen voor telefoon, water, gas en licht worden nog steeds toegezonden aan een zekere J.-B. Aristide te Port-au-Prince. Het huis en de bewoners ervan zijn daarom ook een dankbaar onderwerp van de terreur van de attachés. De jonge bewoners zeggen openlijk dat ze door de politie zelf worden bedreigd. “De politie probeert ons te vermoorden, omdat we de 'zonen' van Aristide zijn”, zegt Emmanuel. De attachés namen zelfs enige tijd hun intrek in een woning verderop in de straat om dichter bij hun jonge doelwitten te zijn.

Een paar dagen voordat Aristide in februari 1991 werd geïnstalleerd als de eerste democratisch gekozen president van Haïti trof een ernstige brand het weeshuis Lafanmi Selavi. Drie jongens kwamen daarbij om het leven. De brand was vermoedelijk aangestoken door voorgangers van de attachés, die toen nog Tonton Macoutes heetten. Een diepgeschokte Aristide maakte, omringd door veiligheidsagenten, de ochtend na de brand zwijgend een rondgang door de geblakerde kamers van het huis.

Ruim tweeënhalf jaar later vertoont de villa nog steeds de sporen van die, later nog eens herhaalde, terreurdaad. Duidelijk merkbaar ook is de angst van de groepsleiders en de jongens. Dagelijks komen bedreigingen binnen via de telefoon. Sommige bewoners van Lafanmi Selavi rusten nu in het anonieme massagraf van Ti-Tanyen, even buiten de hoofdstad, waar de aanhangers van het regime hun slachtoffers executeren en begraven. Van de 125 jongens die doorgaans in Lafanmi Selavi wonen, zijn er honderd uit veiligheidsoverwegingen elders ondergebracht.

De vijftienjarige Joseph toont de kale slaapzaal, waar matrassen in een hoek liggen opgestapeld en voor elke jongen een ijzeren kastje staat met hangslot erop. Hoewel hij en zijn 17-jarige vriendje Emmanuel een opleiding hebben gevolgd, is er geen hoop op werk. “Alleen als Aristide terugkomt kunnen we weer werken en goed eten”, zegt Emmanuel.

De jongens en hun groepsleiders, die hier "papa's' worden genoemd, realiseren zich dat het nog een hele tijd kan duren voordat hun president weer voet op Haïtiaanse bodem zet. Intussen lopen hun levens dagelijks gevaar. Toch zegt een groepsleider: “Dit is hun huis. De jongens zijn bereid er in te sterven.”

    • Reinoud Roscam Abbing