Rijke bacterieflora in zeer hete onderaardse oliereservoirs

Micro-organismen blijken onder nog gekkere omstandigheden te kunnen overleven dan tot nog toe werd gedacht. Bepaalde warmteminnende bacteriestammen blijken zelfs nog actief in oliereservoirs op 3000 meter diepte onder de Noordzeebodem of onder de permafrostlaag van Alaska, bij temperaturen tot 102 graden Celsius en een druk van meer dan 450 bar. Dat berichten onderzoekers in Nature (21 oktober).

Waarschijnlijk spelen deze micro-organismen een belangrijke rol bij het omzetten van ruwe olie in andere verbindingen, een activiteit die de oliemaatschappijen veel hoofdbrekens bezorgt. De waterstofsulfide die deze bacteriën produceren zorgt voor corrosie van ijzer- en staalverbindingen op de boorplatforms, vertraagt de oliewinning en vermindert de oliekwaliteit.

Al langer werd vermoed dat microben de boosdoeners moesten zijn, tot nog toe echter namen biologen aan dat onder de gegeven extreme omstandigheden geen leven mogelijk was. Ruwe olie gold als niet of nauwelijks biologisch afbreekbaar onder zuurstofloze (anaerobe) omstandigheden.

Sommige bacteriesoorten kunnen heel goed leven zonder zuurstof. In plaats daarvan gebruiken zij zwavel of sulfaat als motor voor hun levensprocessen. Deze anaerobe bacteriën halen hun energie uit de oxydatie van organische zuren, waterstof en allerlei andere laagmoleculaire verbindingen, waarbij tegelijkertijd zwavel of sulfaat wordt gereduceerd tot zwavelwaterstof.

Aangetoond werd dat deze bacteriën in hoge concentraties voorkomen in emulsies (vettige mengsels) van olie, water en gas, afkomstig uit vier verschillende oliereservoirs diep onder de Noordzee of onder de permafrost van Alaska.

Ze kunnen in de olievelden terechtkomen bij het boren of bij het inspuiten van zeewater om de olieproduktie op gang te helpen. Waarschijnlijker is, dat ze er van oorsprong thuishoren en zich in sluimertoestand bevonden tot de omstandigheden door de oliewinning veranderden. Injectie van zeewater kan bijvoorbeeld zorgen voor een voedselrijker milieu.

Onder de in de oliemonsters aangetroffen archaebacteriën en andere bacteriestammen behoren verschillende nieuw ontdekte soorten. Ze blijken onder zeer grote hitte en zeer hoge druk te kunnen overleven, maar ook in koud water (6 graden Celsius) houden ze het jaren uit. Dat doet vermoeden dat ze zich door de koude zee kunnen verplaatsen van het ene hete oliereservoir naar het andere en mogelijk ook naar andere warme milieus zoals de mid-oceanische ruggen en vulkanen. Het bewijs voor een onderaardse "biosfeer' is in elk geval overtuigend geleverd.