Nette koppen

Ai toch. Het was slechts een klein sociaal misstapje, destijds; maar het pijnlijke gevoel bleef lang hangen. Het gebeurde op de feestelijke opening van een tentoonstelling waar ik mee te maken had. Onder de vele gasten bevond zich een mijnheer van N. tot N., knap kunsthistoricus, aardige man, en baron. Uitgelaten stelde ik hem aan een oudere vriend voor als: ”Baron van N.' Geen valse gêne, dat was hij toch? Maar luttele minuten later nam die vriend mij apart en vroeg verschrikt waarom ik dat nu toch zo gezegd had. ”Mijnheer van N.', was de beschaafde vorm geweest, en dat zo iemand baron is, dat wéét men dan.

Het verhaaltje, en vooral het feit dat ik het mij na jaren nog herinner, vormt neem ik aan afdoende bewijs dat ik een snob ben - en een slecht onderlegde bovendien. Wat ik mij weleens afvraag is: herinnert het object van mijn gaffe zich zo'n voorvalletje nu ook, of is de schaamte het lot van ons, burgers?

Het is niets en toch is het iets, de wirwar van adellijke titels en sprookjesachtige namen, waarvan je een heel aardig register zou kunnen maken door een tijdlang de familieberichten in deze krant te volgen. Kleurrijke onzin met een geheime lading sociale ongelijkheid. Hoe zou het toch komen, hoe kan het dat freuletjes zo vaak met jonkertjes trouwen, baronnetjes met baronesjes, niet alleen vroeger, getuige de opeenstapelingen van namen in de overlijdensadvertenties, maar ook nu nog, zoals blijkt uit de huwelijksannonces?

Kind, hoor je ze zeggen, het gaat gewoon vanzelf. Op school hebben ze nog heel verschillende vrindjes, maar aan de universiteit begint het al behoorlijk samen te klonteren. En ja, op een gegeven moment kènt zo'n jongen dan eigenlijk vooral Benthempjes, Taetsjes en Westerfliertjes. Het zijn kringen, heel bepaalde kringen.

De fotografe Catrien Ariëns heeft zich uitvoerig verdiept in die kringen. Niet alleen adel maar ook de betere burgers - het patriciaat - fotografeerde zij, want de grenzen zijn vaag, en het ging haar eenvoudig om de ”bovenlaag'. Nu ja, niet de reële, de dikke bovenlaag, die waar Wim Kok en Joop van den Ende ook bij horen; dat is iets ànders. Hoe delicaat het allemaal is en hoe zwaar het valt om man en paard te noemen blijkt uit de titel van Ariëns' fotoboek: In de beste tradities. (Behalve in het boek zijn de foto's trouwens ook in het Noordbrabants Museum te vinden, in Den Bosch.)

Wij zien bruiloftsfeesten en jachtpartijen, galabals en zeiltochtjes, bijeenkomsten van ridderorden, muziekavondjes en herendiners. Gelegenheden waar niemand komt die er niet van oudsher komt, in kringen waar iedereen elkaar kent.

Een doodeng boek. Pas bij de derde keer doorkijken viel het mij dan ook op dat het werkelijk goede foto's zijn, mooi gemaakt en precies adequaat voor hun onderwerp. Geen statigheid, geen representativiteit, geen portretten in de stijl waaraan de gefotografeerden zelf ongetwijfeld de voorkeur zouden hebben gegeven. De beelden zijn niet deftig; het zijn momentopnamen uit de school van Erich Salomon en Alfred Eisenstaedt.

Nette koppen, dat is wat je ziet op die foto's. Bestaat er zoiets als een ”nette kop'? Je kunt net zo goed vragen hoe je een homo herkent, of een jood, de vraag is niet met goed fatsoen te beantwoorden. Je moet al iets vermoeden voordat je gaat kijken, erop gespitst zijn op een manier die, zacht uitgedrukt, gewantrouwd moet worden. De uitzonderingen zijn in de meerderheid. Maar voor wie wil geloven dat gelaatstrekken status of groepskenmerken kunnen verraden, bieden Ariëns' foto's rijk materiaal.

Het echte geheim achter al die nette koppen is zelfvertrouwen. Blakend, eeuwenoud zelfvertrouwen. Deze mensen hebben niets of niemand nodig, al kunnen zij in het gewone leven net als ieder ander een baas hebben, of geldgebrek, of een hartkwaal - hoewel je toch eerder aan jicht denkt. Ook uit hun meest terloopse gebaar (snel nog een hapje bruidstaart, even een blik op een spiekbriefje, o, een beschonken omhelzing, er zijn echt prachtige foto's bij) spreekt de zekerheid van iemand te zijn. Dat is, hoe je het ook wendt of keert, een benijdenswaardige zekerheid.

En het is op niets gebaseerd, op woorden, lucht, namen, gedeelde herinneringen. Als een gravin merites heeft ligt het aan alles, behalve haar titel. Probeer een kind uit te leggen wat adel is en je merkt het meteen, zoals een slechte tekst hopeloos door de mand valt als je hem gaat vertalen.

Toch is al die lucht, dat fleurige cultuurgoed verankerd in de Nederlandse wet. De nette koppen vinden dat dat vanzelf spreekt. Ministers doen uitspraken, Kamerleden amenderen - en snob of niet, op zo'n moment dringt de kleinburgerlijke gedachte dat dat toch allemaal geld kost, terwijl er niet het geringste maatschappelijk belang mee is gediend, zich even op. Wat is er in de hele wereld onbelangrijker dan de vraag of het geadopteerde Koreaantje van de graaf zelf ook een graafje wordt? De vraag misschien wat het adelsrecht vindt van het bastaardje van jonkheer Padt van Heyerdael? Hoe erg is het, als luisterrijke namen uitsterven omdat zij niet vererfd worden via de vrouwelijke lijn? Het is jammer, okee, maar de regering gaat niet over jammer.

Maar misschien ook wel.

Ja, de regering gaat natuurlijk wel over jammer. De regering had de statige boerderij aan het eind van mijn straat voor de sloop moeten redden. De regering houdt de Veluwe in stand en de Nachtwacht, zij hoedt oud cultuurgoed en steunt voor de zekerheid zelfs de moderne kunsten waar maar een handjevol mensen naar omkijkt, gewoon omdat ze anders niet zouden kunnen bestaan en dat zou toch jammer zijn.

Dus het zal misschien toch geregeld moeten worden. Maar ai, wat ben ik blij dat ik de regering niet ben.

    • Ileen Montijn