Mislukte reddingspoging van een vliegloze fuut; Nooit meer poc-poc-poc

Toen ze in de jaren zestig aan haar reddingswerk in Guatamala begon was Anna LaBastille nog een blonde schoonheid die bij passende gelegenheden een jurk droeg. Enkele jaren later kenden de Indianen haar alleen maar met modderige laarzen aan, altijd in de weer voor haar geliefde pocs, de niet-vliegende futen van het Atitlánmeer. Toen ze tenslotte enkele jaren geleden met haar reddingswerk stopte en de futen ten dode opgeschreven waren, vertrok ze, moe, teleurgesteld en met het vaste voornemen nooit naar haar geliefde meer terug te keren.

Dr. Anna LaBastille, Amerikaans ecologe, was deze week in Nederland om de Wereldnatuurfonds (WWF )-actie ter behoud van de mondiale wetlands kracht bij te zetten. Twee jaar geleden verscheen haar boek Mama Poc, an ecologists account of the extinction of a species, ongeveer tegelijk met het uitsterven van de laatste Atitlánfuut. LaBastille heeft het grootste deel van haar leven geprobeerd dit te verhoeden, maar ze is er niet in geslaagd.

De Atitlánfuut (Podilymbus gigas) was een van de drie niet-vliegende Zuidamerikaanse futen, die door zoölogen als een IJstijdrelict beschouwd worden. De Atitlánfuut wordt in het Amerikaans de giant grebe genoemd, omdat hij sterk lijkt op de gewone Amerikaanse fuut Podilymbus podiceps. Hij is alleen een stuk groter dan deze, ongeveer zo groot als onze eigen fuut. Verder bleef zijn verspreiding beperkt tot een enkel diep bergmeer, hoog tussen de vulkanen in Guatamala.

De Atitlánfuut bezit wel vleugels, maar ze zijn te klein om er mee te vliegen. En zelfs als hij het zou kunnen - je weet nooit - dan is op 2000 meter hoogte de lucht te dun en zijn de bergen rond het Atitlánmeer te hoog voor hem. Hoe dan ook: niemand heeft ooit een Atitlánfuut zien vliegen.

Het Atitlánmeer ligt tussen drie actieve vulkanen in Centraal Guatamala. Het is een diep meer - Atitlán betekent in het Indiaans "groot water' - halvemaanvormig en met een oever van ongeveer 100 kilometer lang. Het meer is van ongeëvenaarde schoonheid, rijke inwoners van Guatamala hebben er een weekendhuisje en er verschijnen de laatste tijd steeds meer toeristen. Een Maya-indianengemeenschap die langs de oevers woont, leeft voornamelijk van de teelt van mais op de vulkaanhellingen.

LaBastille kwam in het begin van de jaren zestig met haar vroegere echtgenoot bij het meer om te kijken of dit niet een geschikte plek was om toeristen rond te leiden. Als pas afgestudeerde biologen dachten ze als wildlife guides in hun onderhoud te voorzien. In Amerika kwam het ecotoerisme net op gang en er waren nog weinig reizen naar het buitenland.

LaBastille zag in het meer een vreemde fuut die ze niet kon thuisbrengen met haar gewone vogelgids. Thuisgekomen bemerkte ze in universiteitsbibliotheken dat de fuut die ze had gezien een endeem was, hij kwam alleen in dat ene meertje voor. Hoewel er enkele exemplaren verzameld waren voor musea, was er eigenlijk nog bitter weinig over de Atitlánfuut bekend. Nadat haar huwelijk stukliep besloot ze om naar het meer terug te keren. Op een universitaire stipendium begon ze een onderzoek naar het gedrag van de fuut.

LaBastille: ""Hoe de fuut daar gekomen was, is nog steeds een groot raadsel. Ik heb alle andere meren in de omgeving bezocht. Ik heb navraag gedaan bij de bevolking, maar nergens anders dan in het Atitlánmeer was de fuut gezien. Waarschijnlijk is de Atitlánfuut ontstaan uit de gewone Podilymbus podiceps, waarvan de noordelijke populaties nu 's winters trekgedrag vertonen. In de IJstijd zal deze soort een veel zuidelijker verspreiding hebben gehad en 's winters naar Midden-Amerika zijn getrokken. De Atitlánfuut vormt dan de nazaat van een populatie van achterblijvers, die langzamerhand zijn vliegvermogen heeft verloren. De vliegloze fuut zal in het voedselarme meer een competitief voordeel hebben gehad, doordat hij geen grote vleugels en zware vliegspieren hoefde aan te leggen.''

Hoog in de meren van de Andes leven nog drie andere endemische futesoorten: de Punafuut (Podiceps taczanowski) die op 3000 meter hoogte leeft, de Andesfuut (Podiceps andinus) en de Patagonische fuut (Podiceps gallardoi). Twee ervan kunnen eveneens niet vliegen.

Toen LaBastille met haar onderzoek begon bleek al spoedig dat het met de fuut helemaal niet goed ging. De Atitlánfuut heeft riet nodig, niet alleen om te nestelen, maar ook om de nacht door te brengen. Het is daar op 2.000 meter hoogte weliswaar warm maar 's nachts waait er een harde koude wind over het meer die zware golfslag veroorzaakt. Het bleek dat de Indianen het riet op grote schaal aan het maaien waren om er matten en eenvoudige meubels van te maken, een bijverdienste die ze nodig hadden om in hun bestaan te voorzien. Het aantal futen was in enkele jaren gedaald van 200 in 1960 tot ongeveer 80 in 1965.

LaBastille: ""Ik slaagde erin om aan het ongecontroleerde maaien een eind te maken. Niet door verboden te laten afkondigen, maar door overreding. Ook voor de indianen heeft de pato poc een speciale betekenis, ze zijn erg aan hun vogel gehecht met zijn verdragende poc-poc-poc-roep. Maar stel je voor: ik kwam daar als rijke blanke vrouw uit het noorden en ik zou ze wel even zeggen wat goed voor ze was.''

Het duurde enkele jaren voordat de Indianen begrepen dat riet het beste in bepaalde seizoenen gemaaid kan worden en dan op bepaalde plekken. LaBastille woonde temidden van de indianen, sliep in dezelfde soort hut als zij en sloofde zich bij de lokale overheid uit voor steunprogramma's voor "haar' indianen. Het leek de Atitlánfuut weer goed te gaan. Maar wat LaBastille niet wist was dat er nog steeds gevaar dreigde - van onder water.

Enkele jaren voor haar komst had Pan American Airways een roofbaars uitgezet in het meer. In het Atitlánmeer komt van nature een vijftiental soorten cichliden voor, kleine visjes die zich evolutionair razendsnel aanpassen aan bijzondere omstandigheden. De indianen visten al sinds mensenheugenis op de visjes - ze vormden een waardevolle eiwitrijke aanvulling op het eenzijdige maisdieet - maar voor sportvissers en voor sportduikers waren de cichliden te klein. De roofbaars zou een behoorlijke vangst opleveren, ook voor de Indianen was het oordeel van de autoriteiten.

LaBastille: ""Ik wist wel dat er een roofbaars was uitgezet, maar ik besteedde daar in het begin nauwelijks aandacht aan. Nadat de indianen gestopt waren met het ongecontroleerde riet maaien, nam het aantal futen weer toe, tot zelfs iets meer dan 200.''

Toch nam LaBastille het zekere voor het onzekere. Ze begon een programma ter bescherming van de fuut met steun van het ministerie van Landbouw van Guatamala, het WWF en andere organisaties. Er kwam een speciaal reservaat voor de futen, het eerste wildreservaat in Guatamala. Toen in 1972 werd overwogen een hydro-elektrische centrale aan het meer te bouwen - die grote niveauschommelingen te weeg zou brengen - wist LaBastille dit voornemen met lobbyen te verijdelen. In 1974 kreeg La Bastille van het WWF een gouden medaille. Maar toen gebeurde er een ramp.

In 1976 kostte een hevige aardbeving in Guatamala aan 25.000 mensen het leven. De aardbeving was ook goed voelbaar bij het meer. De beving moet ergens onder in het meer een barst in de bodem veroorzaakt hebben, want vanaf die dag begon de waterspiegel te dalen met 30 centimeter per jaar.

De daling was vooral desastreus voor de rietvelden, die de daling niet bij konden houden. Er verdwenen hele rietvelden, zodat na enkele jaren nog minder dan de helft over was. Er resteerden slechts hele smalle randjes.

LaBastille organiseerde een campagne voor de heraanplant van riet. Tussen 1978 en 1981 verplantten zestig vrijwilligers 75.000 rietpollen. LaBastille: ""Dat lijkt eenvoudiger dan het is. Je moet een behoorlijke pol lossteken en dan uit de modder omhoog trekken. Daarna moet je hem verzwaren met een steen, anders drijft hij gewoon weg.''

Maar het was heraanplanten "met de kraan open' - het waterpeil bleef dalen. Sinds de beving is het peil acht meter gedaald. LaBastille: ""We hoopten aanvankelijk dat het lek in het meer vanzelf zou dichtslibben of anderszins dicht zou raken. Maar het peil bleef dalen, er viel niet tegenop te planten.''

Het aantal futen daalde dramatisch - erger dan verwacht mocht worden door gebrek aan riet. LaBastille: ""We merkten toen pas hoe vermagerd de dieren raakten. Ze hadden ook steeds minder jongen. Tegelijkertijd merkten de Indiaanse vissers dat er bijna geen cichliden meer in het meer waren.''

De roofbaars was van een speeltje voor de sportvissers in een plaag veranderd. Ook in andere Zuidamerikaanse meren was de baars een plaag geworden. Het voedsel voor de futen - de cichliden - was bijna verdwenen. LaBastille: ""De futen stierven letterlijk van de honger. De weinige kuikens die er nog waren, werden door de roofbaars weggehapt. Het was kortom een ramp geworden.''

In 1990 werd de laatste Atitlánfuut gezien. LaBastille: “Eind jaren tachtig heb ik nog geprobeerd een reddingsactie op te zetten, maar het land was toen politiek instabiel, er was anarchie, er waren doodseskaders, niemand was meer geïnteresseerd in natuurbescherming. Ik ben toen weggegaan met het vaste voornemen nooit meer terug te komen.”

De Atitlánfuut is uitgestorven. LaBastille heeft enkele bestsellers geschreven over haar leven als vrouw in de wilde natuur (Woodswomen, Beyond Black Bear Lake en Women and Wilderness. Ze heeft nu toch het plan binnenkort terug te keren naar het Atitlánmeer. LaBastille: ""De fuut is weg, maar het meer is nog steeds erg mooi, het is nog steeds iets om je voor in te zetten. Er komt nu steeds meer toerisme, de Maya-bevolking is in de jaren dat er kom in aantal meer dan verdubbeld, er is watervervuiling en er zijn talloze andere bedreigingen. Ik kan het meer niet zo aan zijn lot overlaten.''