Kleine vlinders

W&O van 14 oktober bevat een bespreking door Rob Biersma van mijn boek "De kleine vlinders'. De inhoud van die recensie is teleurstellend door ergerlijke slordigheden bij de vermelding van feiten en grove missers, wanneer de recensent met een eigen mening te voorschijn komt.

Eerst een keuze uit de slordigheden. Spelfouten in de wetenschappelijke namen bij de in de krant afgedrukte plaat behoef ik niet te noemen, omdat u per abuis bij deze plaat de namen van op een andere plaat afgebeelde vlinders hebt vermeld. Het zal duidelijk zijn, dat geen van de namen betrekking heeft op de in de krant afgebeelde vlinders. Anders dan Biersma meedeelt, zijn de kleurenfoto's niet “grotendeels afkomstig uit de collectie van het Instituut voor Taxonomische Zoölogie te Amsterdam”. Ze werden alle gemaakt op de Landbouwuniversiteit Wageningen. De vlinders waren hoofdzakelijk afkomstig uit de collectie van J.C. Koster en mijzelf; enkele vlinders kwamen uit de verzameling van bovengenoemd instituut (zoals in het boek is vermeld).

Abusievelijk merkt Biersma op, dat in Nederland 2250 soorten Microlepidoptera zijn waargenomen. Dit aantal bedraagt 1372 (plus één aanvulling). Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van deze vergissing volgt een nieuwe golf fouten, want Biersma schrijft: “Wel worden gegevens over de meeste soorten gepresenteerd in tabellen en verspreidingskaarten. De 1350 verspreidingskaarten......”. Laatstgenoemd aantal is onjuist, omdat het boek 1372 verspreidingskaarten bevat, maar van meer belang is, dat niet van de meeste, maar van alle soorten verspreidingskaarten zijn opgenomen. Ook in het Tabellarisch Overzicht worden gegevens over alle in Nederland aangetroffen soorten vermeld.

Deze slordigheden zijn onschuldig vergeleken met de passages waarin Biersma met een eigen mening komt. Kortheidshalve ook hier een keuze.

Het manuscript van het oecologie-hoofdstuk is aan een tiental collega-oecologen voorgelegd met het verzoek dit critisch door te nemen (zie Nawoord p. 689). Geen van hen kwam op de gedachte dat de behandelde onderwerpen “zo uit een studieboek zijn overgeschreven”, zoals Biersma meedeelt. Ik ben trouwens erg benieuwd naar dit studieboek: het zou mij veel moeite hebben bespaard. Anders dan in de mij bekende oecologie-boeken worden in dit hoofdstuk de onderwerpen besproken, beginnend met het oecosysteem en afdalend naar de populatie, waarbij de problematiek van stabiliteit en veranderlijkheid als een rode draad door de paragrafen loopt. Deze benadering is vooral gekozen, omdat veranderingen in de fauna en flora sterk in de belangstelling zijn komen te staan. Op twee na zijn alle voorbeelden ontleend aan de vlinders (en vaak aan de micro's).

Het hoofdstuk over taxonomie (en biogeografie) is evenmin een “samenvatting van een tekstboek”. Het tekstboek waarin de uitgekozen onderwerpen op deze wijze behandeld worden, ken ik niet. Biersma had verwacht, dat verder was ingegaan op sibling species dan in het zojuist genoemd hoofdstuk is geschied. Welnu, hij wordt op zijn wenken bediend: in de paragraaf “Aantekeningen bij de soorten” worden vele tientallen zustersoorten besproken. Blijkens zijn opmerkingen heeft Biersma eveneens de uiteenzettingen in het boek over het gebruikte grid, alsmede over de relatie tussen de verspreiding van waardplanten en die van micro's gemist.

Niemand behoeft "bedrogen' uit te komen, omdat niet dadelijk tot op de soort kan worden gedetermineerd. Immers op de achterflap wordt daar al op gewezen. Tenslotte vertelt Biersma iets over een Schigmella (bedoeld: Stigmella), waar ik werkelijk niets van begrijp.

Hoewel recensies, ook gebrekkige, achteraf eigenlijk niet meer zijn te corrigeren, hoop ik niettemin, dat bovenstaande alinea's zullen bijdragen tot een correcter beeld omtrent de besproken publicatie bij de lezers van uw dagblad.

Naschrift Rob Biersma: Het grote aantal fouten is gedeeltelijk veroorzaakt door het plaatsen van een ongecorrigeerde versie; enkele zijn van mij. Ik bied de heer Kuchlein mijn welgemeende verontschuldigingen hiervoor aan. Zijn monumentale boek verdiende dit niet. De slordigheden zijn des te schrijnender, omdat De Kleine Vlinders zeer accuraat gecorrigeerd is.

Wie zoveel fouten toelaat verliest het recht op een kritische mening. Toch blijf ik bij mijn oordeel dat de hoofdstukken over ecologie en taxonomie te academisch zijn voor een handboek. De inhoud hiervan geeft een goed overzicht van de huidige academische opvattingen over ecologie en taxonomie. De voorbeelden zijn inderdaad grotendeels ontleend aan de Microlepidoptera. Maar beter ware geweest de hoofdstukken te beperken tot onderwerpen voorzover deze relevant zijn voor de faunistiek van de Nederlandse Microlepidoptera, het onderwerp van het boek.

    • J.H. Kuchlein