Iets koppigs

“Er is”, zeg ik, “een mooie roman van Gore Vidal, Julianus de Afvallige, waarin het christendom wordt weggezet als een morbide verschijnsel, het verheerlijken van de dood.”

Nini zwijgt. Uit wellevendheid. Of omdat ze eerst haar woorden weegt. De zin van woorden. Wat dat betreft zijn wij tweeën inderdaad in hetzelfde vak terechtgekomen.

“Is dat nou zo?” zegt ze dan. “Het kruis...dat is toch een dood die ten dienste van het leven staat? Ik voel iets heel koppigs als het over de dood gaat.”

“Met het sterven zelf”, zegt ze, “heb ik weinig ervaring. De pastoor, die wordt gebeld, die moet erbij zijn. Protestanten gaan alleen dood, of in familiekring. Dat je geroepen wordt om iemand bij te staan, dat komt eigenlijk niet voor. Maar ik sta wel aan het graf, en daar sta ik dan met een rechte rug.”

“Je gelooft”, vraag ik, “ook in het hiernamaals?”

Weer een moment van overweging. Dan: “Ja, daar geloof ik in. Maar ik zou het niet erg vinden als het niet zo was.”

“Je bedoelt”, zeg ik, “dat je het niet erg zou vinden als ik nu op staande voet bewijs dat het niet bestaat?”

“Ik zou”, zegt Nini, “niet anders gaan leven, denk ik. Ik zou alleen misschien wat meer gespannen zijn. Omdat het zou betekenen dat alles hier moet gebeuren, en in één keer goed.”

“Ik buig”, zegt ze, “niet voor de dood. De dood heeft niet het laatste woord.”

    • Koos van Zomeren