GRONDWET EN SGP

Op basis van enkele uitlatingen komt "HS' tot de conclusie (In de marge: "Heilig geloof (bis)' in NRC Handelsblad van 28 september) dat ik de grondwettelijke discussie zou verpesten, en heilig geloof dat mensen zich houden aan het kabinetsbeleid.

Kern van het probleem is: hoe gaan wij in Nederland om met botsende grondrechten van vrijheid van vereniging en discriminatieverbod. Waar ligt onze tolerantie-grens? En, moet deze grens wettelijk worden vastgelegd of laten we de grensbepaling aan burgers en aan rechters over?

Voor juristen en politici essentiële vraagstukken, zo meent HS. Dit kan ik als juriste en politica beamen, en ook als feministe.

Botsende grondrechten geven altijd aanleiding tot fricties.

Elke democratie is immers gebaseerd op de grondrechten vrijheid en gelijkheid. Maar vrijheid kan niet absoluut zijn. Ook niet door een beroep te doen op hogere machten, geloof of bijbel. Er bestaat een grondwettelijk discriminatieverbod, ook jegens vrouwen. Zeker door het aanvaarden van het VN-verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen in 1991 heeft Nederland (de SGP incluis) zich op grond van art. 7 van dat Verdrag verplicht om er voor te zorgen dat “vrouwen op gelijke voet met mannen het recht hebben deel te nemen aan niet overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politiek leven van het land”. Hoe wordt deze "instructienorm' uitgewerkt?

Het Kabinetsbeleid, gericht op meer vrouwen in de politiek en het openbaar bestuur, is door de Kamer ondersteund en wordt uitgevoerd. Van opname in de wet is afgezien. Zo is de Algemene Wet Gelijke Behandeling, waar de Eerste Kamer zich nu over buigt, niet rechtstreeks van toepassing verklaard op verenigingen, incl. politieke verenigingen. Bij de kamerbehandeling destijds huldigde de minister het standpunt dat de noodzaak hiertoe ontbrak omdat geen politieke vereniging haar lidmaatschap van vrouwen statutair uitsloot.

Na 25 september ligt de zaak anders. Vrouwen worden beperkt in hun keuze voor een partij uit hun eigen achtergrond. Kan de maatschappelijke en politieke functie nog wel worden waargemaakt? De minister van justitie wil zelf het oordeel aan de rechter overlaten. Maar dan moet ook uit zijn verantwoordelijkheid voor het OM, de lopende aanklacht, of een andere, aan de rechter worden voorgelegd. Dan kan de noodzaak van wettelijke bepaling blijken!