Geen winst, geen banen

De tijd dat winst werd gezien als de vrucht van meedogenloze uitbuiting van de arbeider door de kapitalist ligt al weer een paar jaar achter ons. Kamerbreed, ja zelfs wereldwijd wordt erkend dat winst een noodzakelijke voorwaarde is voor het overleven van een onderneming in de marktsector.

Maar dat neemt niet weg dat de verdeling van de winst nog altijd een gevoelig onderwerp is. Daarbij meldt zich als eerste de fiscus. Die neemt er al naar de ondernemingsvorm en -grootte 35 tot 60 procent van mee om er mooie dingen voor de mensen van te bekostigen. Dan komen de eigenaren/aandeelhouders. Die staan voor een moeilijke keuze: hoeveel winst keren we uit en hoeveel laten we in de onderneming zitten? Dit laatste in de vorm van een reserve als buffer voor slechte tijden, maar vooral ook als bron voor zelffinanciering van uitbreidingen in de toekomst. Binnen de groep eigenaren/aandeelhouders kunnen de opvattingen nog wel eens botsen. Sommigen zijn gericht op het veilig stellen van het voortbestaan van de onderneming. Zij zullen niet snel de kip met de gouden eieren slachten. Anderen hebben een korte horizon en zien er niet tegenop het dier om zeep te helpen. Behalve de fiscus en de eigenaren/aandeelhouders hebben ook de werknemers belangstelling voor de winst. Niet alleen omdat er een of andere winstdelingsregeling is afgesproken. Ook en vooral omdat het jaarlijks behalen van een steeds grotere winst een signaal is voor de werknemer. De werknemer wil als het goed gaat daar iets van terugzien in z'n portemonnee. Op dat moment wordt de belangentegenstelling tussen arbeid en kapitaal weer even actueel. Op het macro-niveau vertaalt die zich in het touwtrekken om de categoriale inkomensverdeling. Aan de ene kant het deel van het nationaal inkomen dat aan de produktiefactor arbeid toekomt, de arbeidsinkomensquote (aiq). Aan de andere kant het deel dat naar de factor kapitaal gaat, de kapitaalinkomensquote (kiq).

Bij de loononderhandelingen gaat de strijd tussen deze twee quoten.

De leiding van een werknemersorganisatie die zijn verantwoordelijkheden kent staat hier voor een moeilijke keuze. Het te hard aanpakken van de werkgevers holt de ondernemingswinsten teveel uit en brengt de werkgelegenheid in gevaar. Aan de andere kant zijn er de vakbondsleden die meestal niet veel verder kijken dan hun loonstrookje lang is. Om die leden tevreden te stellen moeten de bonden niet teveel winst bij de ondernemer laten zitten.

Intussen hebben we al het niet meer over het verdelen-achteraf van een behaalde winst maar over de zaken die de nog-te-behalen-winst-vooraf bepalen. En dan gaat het om meer dan loonkosten alleen. Dan spelen ook de belastingtarieven, de sociale premies, de huur, de rente, grondstoffen en energiekosten een rol. En aan de opbrengstenkant de verkoopprijs. Een ondernemer die bij gegeven kosten zijn verkoopprijs kan verhogen, vergroot zijn winst per eenheid produkt. Als er niet al te veel klanten afhaken vanwege die prijsverhoging, neemt ook zijn totale winst toe.

Maar in een teruglopende conjunctuur ligt het verhogen van de verkoopprijs niet voor de hand, eerder het omgekeerde. En niet alleen van die kant komt de winstmarge onder druk te staan. Aan de kostenkant werken afgesproken loonsverhogingen van toen-het-nog-goed-ging een tijdje door. De overheid slaagt er niet of onvoldoende in om belastingen en premies te verlagen. Het enige wat meezit is de dalende rente, maar ook die werkt vaak pas door met wat vertraging. Geen wonder dat het dan met de winstgevendheid slecht gaat. Het Centraal Planbureau meldt in de Macro Economische Verkenning 1994 dat voor het derde achtereenvolgende jaar de winstgevendheid verslechtert: "Sinds de conjuncturele piek in 1990 is de kapitaalinkomensquote (het complement van de arbeidsinkomensquote) met vijfenhalve punt afgenomen... Na de beheerste loonontwikkeling in de jaren tachtig is vanaf 1990 een kentering opgetreden. Tegelijkertijd viel de arbeidsproduktiviteitsgroei terug... De resulterende loonkostenstijgingen per eenheid produkt konden, mede door de harde gulden en de zwakke internationale conjunctuur, in onvoldoende mate worden doorberekend in de prijzen.'

Een gevolg van de slechtere winstgevendheid is dat sinds 1989 de groei van het aantal banen - de werkgelegenheid - terugloopt. Voor 1993 en volgend jaar wordt zelfs een afname van het aantal banen verwacht. De werkloosheid stijgt krachtig en in 1994 staat een naoorlogs record aan werkloosheidsuitkeringen voor de deur. In zo'n klimaat zou een matiging van de loonkosten voor de hand liggen, maar die is tot dit jaar uitgebleven. En de matiging die men nu van plan is, is volgens het Centraal Plan Bureau (CPB) onvoldoende om de winstgevendheid te herstellen. De loonkostenstijging heeft een 'lange remweg': hij zet door als de arbeidsmarkt het al lang niet meer kan verdragen. Vandaar dat minister De Vries een loonmaatregel in voorbereiding heeft, mochten werknemers en werkgevers er zelf niet uitkomen. Maar die loonmaatregel op de achtergrond doet het onderhandelingsklimaat geen goed. Het gevaar bestaat dat de discussie over die maatregel gaat in plaats van over belangrijke structuurverbeteringen die het mogelijk maken dat de prijs van de arbeid sneller reageert op de situatie op de arbeidsmarkt. Maatregelen die de remweg verkorten.

De regering had beter die andere twee elementen die de arbeidskosten in ons land zo hoog maken - de belastingtarieven en de sociale premies - kunnen verlagen. Jammer genoeg is daar bij een inzakkende economie (lagere belastingontvangsten) en oplopende werkloosheid (meer uitkeringen) helemaal geen ruimte voor. Of je zou moeten geloven in het 'inverdieneffect': lagere tarieven brengen de economie op gang waardoor de fiscus uiteindelijk toch meer geld binnen krijgt. Maar dat woord durft niemand meer hardop te noemen. Zo blijft het tobben.

    • Rolf Schöndorff