"Gedragscode gewenst voor bijklussende profs'

ROTTERDAM, 28 OKT. De Nederlandse universiteiten verkeren in een rouwproces. Na ongeloof en protest over de snel veranderende tijden komt eerst de berusting. Pas daarna kan worden gewerkt aan een nieuw begin.

Deze psychologische diagnose stelde dr. A. van der Zwan, bijzonder hoogleraar management en ondernemingsbeleid, gistermiddag op een symposium bij het tachtigjarig jubileum van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. Van der Zwan, schreef in 1987 samen met de huidige minister van Onderwijs, J. Ritzen en VNO-voorzitter A. Rinnooy Kan, het rapport "De ondernemende universiteit' (1987). Volgens Van de Zwan hebben de universiteiten “bepaald niet adequaat” ingespeeld op de snelle maatschappelijke veranderingen die in dat rapport werden gesignaleerd. De massificatie van het hoger onderwijs, de “verwatering” van wetenschappelijke kwaliteit, de opkomst van het hoger beroepsonderwijs en ten slotte de toenemende internationale concurrentie noopten de universiteiten tot een duidelijke “positionering” - die echter grotendeels is uitgebleven.

“Universiteiten zijn vergelijkbaar geworden met andere grote organisaties als bedrijven en ministeries”, aldus Van der Zwan, “met een beperkte capaciteit tot vernieuwing.” Maar vernieuwing is volgens hem nog onverminderd nodig: universiteiten moeten zich bijvoorbeeld onderling meer van elkaar gaan onderscheiden met duidelijke “profielkeuzes”, waarbij sommige universiteiten uitdrukkelijk zullen kiezen voor “kwaliteit boven kwantiteit”. De manier waarop de overheid universiteiten financiert, zal daaraan moeten worden aangepast.

Van der Zwan hekelde het voornemen van staatssecretaris M.J. Cohen (hoger onderwijs) om te komen tot een gedragscode voor "bijklussende hoogleraren', het eigenlijke onderwerp van het symposium. “In het bedrijfsleven gaat dat toch ook niet zo? Waarom in het onderwijs dan wel?” Cohen, ook aanwezig op het symposium, wees er in een reactie op dat het onderwijs nu eenmaal wordt betaald met gemeenschapsgeld - vandaar de behoefte aan regels en controle. Van der Zwan maakt volgens Cohen een karikatuur van zijn beleid inzake het "bijklussen'. “Het gaat helemaal niet om een uniforme regeling, wel om een gedragscode voor een groep die een gezamenlijke bedrijfscultuur heeft. Op basis van die code kunnen universiteiten tot eigen regelingen komen”, aldus Cohen. De vereniging van universiteiten studeert nu op verzoek van Cohen op “elementen van zo'n gedragscode”.

Behalve van Cohen, kreeg Van der Zwan ook weerwoord vanuit het bedrijfsleven. Ir. drs. H.N.J. Smits, president-directeur van Schiphol, zei wel degelijk iets te zien in een “ondernemingscode” voor universiteiten, analoog aan codes die bedrijven hanteren. “Dat hoeft geen totaal uniforme regeling te worden, maar de universiteiten zijn er wel aan toe. Laat ze in godsnaam zo'n regeling opstellen, toets die nog even en je bent er klaar mee.”

De sprekers op het symposium waren het er over eens dat een uniforme centrale regeling ongewenst is. Oud-minister mr. H.J. Zeevalking, voorzitter van een commissie die op Cohens verzoek onderzoek deed naar universitaire regels voor het "bijklussen', zei dat bijna alle universiteiten op zichzelf wel bruikbare regels hebben, maar dat het volledig schort aan controle. “Dan wordt er wel eens iets gemompeld over sociale controle. Nou ja, ik kom zelf uit een dorp dus ik weet wel hoe dat werkt. Daar hoeft een universiteit zich geen illusies over te maken.”