Fletse regie en zwak spel in zieke komedie van Alan Ayckbourn

Voorstelling: Nu sijt wellecome van Alan Ayckbourn. Vertaling: Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch; regie: Jules Royaards; decor: Hans Slijper; spel: Trudy Labij, Kitty Janssen, Kees Coolen, e.a. Gezien: 26/10 Stadsschouwburg Haarlem. Tournee t/m 28/2.

Het is kerstmis. Sidney en Jane hebben vrienden en kennissen uitgenodigd voor een cocktailparty. In zijn blijspel Absurd person singular geeft Alan Ayckbourn sommigen van hen een naam en een gezicht doordat we ze in levenden lijve te zien krijgen, anderen (Dick en Lottie Potter) blijven onzichtbaar maar worden wel figuren van wie we ons een beeld kunnen vormen, en de rest van de gasten is slechts een anonieme groep stemmen die we horen praten, lachen en drinken als de deur even open gaat. Wat daar achter precies gebeurt blijft gissen - het publiek ziet slechts de keuken van het huis.

Nu sijt wellecome, zoals de Nederlandse versie van Absurd person singular (1972) heet, is Ayckbourns eerste stuk dat zich in feite offstage afspeelt: in drie opeenvolgende jaren - verdeeld over drie bedrijven - voltrekt kerstmis zich in drie verschillende keukens terwijl het eigenlijke feest aan het oog is onttrokken. Temidden van potten, pannen en formica keukenkastjes vinden telkens min of meer toevallige ontmoetingen plaats tussen Jane en Sidney, Ronald en Barbara, Peggy en Jef. De mannen zijn zakenrelaties die elkaar en hun vrouwen graag bij hen thuis lijken te inviteren. Maar zoals wel vaker bij Ayckbourn wordt al gauw duidelijk dat achter de schone schijn van vriendelijke woorden, prettige verstandhoudingen en degelijke huwelijken een diepe beerput gaapt waaruit haat en nijd, egoïsme en jaloezie als walmende gifdampen opstijgen.

Het is waar dat we inmiddels zo vertrouwd zijn geraakt met dergelijke komedies (van Ayckbourn en anderen) dat de hysterische karakters, slechte huwelijken en de opbouw van de plot enigszins voorspelbaar zijn. Niettemin: wie het stuk leest krijgt mooie visioenen van grimmmige en groteske situaties waar de personages, onverschillig voor andermans problemen en beneveld door de drank, volkomen langs elkaar heen leven.

Helaas echter is de zieke sfeer van het stuk in de fletse recht-toe-recht-aan enscenering die Jules Royaards er van gemaakt heeft veel minder komisch dan gehoopt. In hoeverre dat ligt aan de regie of aan het zwakke spel is moeilijk te zeggen, feit is wel dat uit de tekst veel meer valt te halen dan nu is gebeurd in de door Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch vertaalde voorstelling.

Het is alsof het stuk moedwillig een dodelijke injectie is toegediend die alle scherpe formuleringen en venijnige humor zouteloos en plat maakt, met als consequentie scènes die zich opstapelen als een hoop slappe was. Bijna alles wat gezegd wordt klinkt flauw en plichtmatig of vreselijk overdreven. Van de acteurs zijn het Kitty Janssen, Trudy Labij en Kees Coolen (de oudere generatie) die tenminste af en toe iets laten zien dat uitstijgt boven het wel zeer middelmatige en onbeheerste spel van Dick van den Toorn en vooral van Glenn Durfort en Esther Roord. Dat ze desondanks bij het merendeel van het publiek een gevoelige snaar weten te raken, bleek tijdens de première toen velen een dolle avond schenen te hebben.

    • Noor Hellmann