Ex opere operato

De VPRO heeft sinds kort een nieuw literair programma dat waarschijnlijk bedoeld is om "het gat van Van Dis' op te vullen. Het heet Tussen dag en nacht en staat onder leiding van Maarten 't Hart. Het programma richt zich op het geletterde, althans het academische publiek. In de uitzending die ik zag, was in elk geval iedereen gepromoveerd, inclusief de gespreksleider zelf. Ook is het programma geplaatst rond het middernachtelijk uur in de kennelijke overtuiging dat academici een lui volkje zijn dat tot diep in de nacht voor de beeldbuis blijft hangen.

Maar ook al is de "doelgroep' dezelfde als bij Van Dis, de "formule' (ik neem tenminste aan dat dit de goede termen zijn) is anders. Want dit programma gaat over algemene onderwerpen en niet over nieuwe boeken. Nieuwe bestsellers zullen er dus niet worden geboren. Ook zijn het geen individuele gesprekken, maar zien we een groepje van drie personen in een eigenaardige zwaan-kleef-aan-act één voor één aan tafel verschijnen, waarbij onduidelijk blijft of ze met elkaar moeten praten of vragen van de gespreksleider moeten beantwoorden. Bovendien zijn het allemaal Nederlanders of althans Nederlandssprekenden. Niet alleen de mondaine glamour van de Van-Dis-show maar ook het kosmopolitische karakter ervan ontbreekt dus in deze nieuwe talkshow. Dat heeft overigens ook wel iets aardigs. De wijze waarop Maarten 't Hart dat meest weerzinwekkende van alle tv-woorden, "gast' ("drie gasten vanavond in mijn programma') uitspreekt, is bepaald vertederend. Hij wekt trouwens sowieso in uiterlijk en optreden de indruk het tegenbeeld van een tv-presentator te zijn. Wat dat betreft zou het programma door Wim T. Schippers bedacht kunnen zijn.

De uitzending die ik zag, ging over godsdienst. 't Hart had zich daar kennelijk niet al te goed op voorbereid want hij begon met blijmoedig te verklaren dat hij het onderscheid tussen pater en priester niet begreep. Dat is ongeveer even vreemd als wanneer de gespreksleider van een programma over biologie zou verklaren de uitspraak "alle koeien zijn zoogdieren maar niet alle zoogdieren zijn koeien' niet te begrijpen. Ook leek hij te denken dat Erasmus niet katholiek kon zijn omdat deze humanist was. Hij dacht waarschijnlijk dat dat hetzelfde was als lid van het Humanistische Verbond. Een van de "gasten', de cultuurhistoricus en geestelijke Bodar, wees hem op even amusante als erudiete wijze terecht.

Aangezien het onderwerp van het programma godsdienst was en we in moderne tijden leven, ging het niet alleen over katholicisme en protestantisme maar ook over de islam. De presentator had daarom een katholieke priester, een protestantse dominee en een islamitische imam uitgenodigd. Althans, dat zou men verwachten, maar dat laatste was niet het geval want de betreffende gast, Brugman, is wel arabist en islam-deskundige, maar bij mijn weten geen moslim en al helemaal geen imam. Dat gaf aan het programma iets vreemds. Het was alsof je in een praatprogramma twee vogels en één ornitholoog zag optreden. De vreemdste van die twee vogels was ongetwijfeld dominee Kuitert.

Aangezien ik niet erg geïnteresseerd ben in de vraag of de slang werkelijk heeft gesproken en de vrouw van Lot werkelijk is veranderd in een zoutpilaar, ben ik met de protestantse theologie maar weinig vertrouwd. De persoon en het werk van deze geleerde dominee waren mij dan ook geheel onbekend. Hij behoort kennelijk tot de God-is-dood-en-ik- voel-mij-zelf-ook-niet-honderd-procent- in-orde-school van wie niemand in iets hoeft te geloven, zolang wij maar samen op weg zijn, elkaar proberen te verstaan en vast te houden en inmiddels een stuk medemenselijkheid in de kerk brengen. Het wonderlijke is niet dat mensen al deze zoetsappige lariekoek en ergerlijke woordenbrij te berde brengen, maar dat zij daar bij kijken met een blik van: wat ben ik toch open en begripsvol, wat zeg ik het toch mooi en zie ik er eigenlijk ook niet heel fraai en medemenselijk uit.

Hier wordt een graad van ijdelheid bereikt die mijns inziens door geen enkele beroepsgroep wordt geëvenaard, ook niet door de rooms-katholieke geestelijkheid. Ook deze zal, zo nodig, niet aarzelen zulke bijbelpraatjes te verkopen, maar ik heb toch de indruk dat ze over het algemeen beduidend bescheidener is (voor Antoine Bodar maak ik een uitzondering). Deze overtuiging is niet gebaseerd op oppervlakkige observaties maar op grondige sociologische en theologische analyses.

Om te beginnen is er het verschil in sociale positie en achtergrond tussen priesters en predikanten. In landen als Spanje en Italië mogen de katholieken het establishment vormen, in Nederland is dat niet het geval. Het establishment is protestants. De koningin zelf is protestants. De geschiedenis van het Nederlandse katholicisme daarentegen is de geschiedenis van een emancipatiebeweging. Op politiek gebied hebben de katholieken niet te klagen - wij hebben de laatste halve eeuw meer katholieke premiers gehad dan goed voor ons is - maar in sociaal en economisch opzicht behoren zij niet tot de bovenlaag. In katholieke kringen reduceert de sociale kwestie zich tot de vraag of de vader, de grootvader of de overgrootvader een winkel had. Iemand die het weten kan, prof. E.H. van der Beugel, zei onlangs in een interview met deze krant dat je tot voor kort in de raden van commissarissen van grote ondernemingen helemaal geen katholieken aantrof. Het is dan ook logisch dat priesters, die doorgaans uit provinciale en eenvoudige milieus voortkomen, niet de vanzelfsprekende gewichtigheid van hun meer gearriveerde protestantse collegae hebben.

Belangrijker dan dit sociologische argument is echter het theologische onderscheid tussen de beide groepen van geestelijken. In de protestantse kerken is de dominee een voorganger, een man van het woord. De katholieke priester daarentegen is, in de meest letterlijke zin van het woord, een "man Gods'. Hij moet ook wel eens preken en andere kerkelijke taken verrichten, maar waar het om gaat, is dat hij door zijn ambt iets kan wat niemand anders kan, namelijk de sacramenten bedienen. Daarom steekt hij boven alle andere gelovigen uit. Maar hij kan dat alleen omdat hij zelf het sacrament van het priesterschap heeft ontvangen. Ook al is men nog zo geleerd en belezen, bedreven in het Latijn en de dogmatiek, meester in de welsprekendheid en de koorzang, wie niet gewijd is, kan niets. Omgekeerd echter kan zelfs de niet al te intelligente, niet al te geleerde en niet al te welsprekende medeman, als hij maar tot priester gewijd is, precies hetzelfde doen als zijn meer begaafde collegae in het ambt. Sterker nog, zelfs de meest onwaardige priester kan dat. Iedere priester die met de goede intentie en op de juiste wijze de juiste handelingen verricht, voltrekt automatisch de sacramenten. Dit gebeurt namelijk niet op grond van de kwaliteiten van de bedienaar, maar door de daad zelf of, om het in theologische termen te zeggen, niet ex opere operantis maar ex opere operato. Althans volgens het katholieke geloof.

Het is een gedachtengang waar men zo zijn gedachten over kan hebben, maar één ding is zeker: een meer fundamentele oefening in nederigheid is moeilijk denkbaar.

    • H.L. Wesseling