ECHTSCHEIDING

H. Lenters. De rol van de rechter in de echtscheidingsprocedure. Promotie RU Leiden, 21 september. Promotor Prof. Mr. T.A.W. Sterk. Proefschrift: Gouda Quint, Arnhem, 375 blz., ƒ 82,50.

Ieder jaar eindigen ruim 50.000 huishoudens in Nederland door een scheiding van de partners. In ruim de helft van de gevallen gaat het om een echtscheiding. Dat cijfer is al een aantal jaren stabiel. Na het in werking treden van de nieuwe echtscheidingswet in 1971 steeg het aantal echtscheidingen eerst snel tot ruim 34.000 per jaar in 1984, maar sindsdien is het geleidelijk teruggelopen tot ongeveer 28.000. Het aantal huwelijken dat per jaar gesloten wordt, is nog altijd meer dan driemaal zo hoog, mede omdat een aanzienlijk deel van degenen die scheiden, toch ook weer opnieuw trouwt. Echtscheiding - zo'n 800.000 Nederlanders hebben er ervaring mee - is nog altijd het beste bewijs van de ongebroken populariteit van het huwelijk. Lukt het de eerste keer niet, dan misschien wel de tweede keer.

Echtscheiding is gewoon geworden, niet leuk natuurlijk, vooral niet als er kinderen bij betrokken zijn, maar toch ook niet meer de tragedie die het vroeger was. In mijn jeugd viel echtscheiding in de categorie van natuurrampen die bij ons niet voorkwamen. Op het Onze Lieve Vrouwe Lyceum in Breda hadden we ooit één jongen in de klas wiens moeder werkte en in mijn beleving was dat ongeveer net zo erg. Hij heeft de school ook niet afgemaakt.

Juridisch is een echtscheiding nog allerminst gewoon. Er komt in Nederland altijd een rechter aan te pas en dus ook minstens één advocaat. Een echtscheidingsprocedure neemt ook veel meer tijd in beslag dan bijvoorbeeld het aangaan van een huwelijk. Trouwen kan binnen enkele weken na de officiële aankondiging, een echtscheidingsprocedure neemt toch al gauw enkele maanden in beslag (meestal overigens niet meer dan drie tot zes maanden). Voor een echtscheiding moet formeel een reden zijn, "duurzame ontwrichting van het huwelijk', maar voor het huwelijk zelf is niet meer nodig dan de wens van man en vrouw de onderlinge band een formeel karakter te geven.

Achter de neutrale titel van het proefschrift van Henriette Lenters gaat de gedachte schuil, dat een echtscheidingsprocedure in principe eigenlijk niet veel ingewikkelder meer zou moeten zijn dan de procedure die voor het aangaan van een huwelijk voorgeschreven is. De gang naar de rechter zou alleen nog gemaakt moeten worden als de scheidende partijen het met elkaar niet eens zijn of kunnen worden. Echtscheiding is maatschappelijk inmiddels zo aanvaard en komt bovendien zoveel voor, dat er in ieder geval geen behoefte meer is aan de rechter als het morele symbool van de hoge waarde die de samenleving aan het huwelijk en het blijvende karakter daarvan toekent. Ook functioneel is er voor de rechter niet veel te doen, want in de overgrote meerderheid van de gevallen is zijn rol een bijna uitsluitend administratieve geworden. Van een onderzoek door de rechter naar de mate van aanwezigheid van de echtscheidingsgrond (er is er inderdaad maar één: duurzame ontwrichting ) is vrijwel nooit meer sprake. Zelfs in gevallen waarin er verweer gevoerd wordt en een van de partijen dus meent dat er voor een echtscheiding onvoldoende grond is, zal vrijwel geen rechter nog bereid zijn zelf te gaan uitzoeken of de betrokkene daar misschien gelijk in zou kunnen hebben. In 1982 bleek in 3% van de gevallen nog van verweer sprake te zijn geweest, maar in geen van de gevallen is dat toen toegewezen. Het beleid zal sindsdien zeker niet veranderd zijn.

Verrassend vond ik in het onderzoek van mevrouw Lenters de kennelijk grote eensgezindheid tussen scheidende echtelieden over de wenselijkheid van ontbinding van hun huwelijk. Weliswaar beginnen weinig echtscheidingsprocedures met een gemeenschappelijk verzoekschrift (5%), maar uit het feit dat het in de overgrote meerderheid van de gevallen (75%) de vrouw is die de echtscheidingsprocedure start, mag niet onmiddellijk worden afgeleid dat - om een gevleugeld woord van Iteke Weeda aan te halen - "het huwelijk er voor de man en echtscheiding er voor de vrouw is'. In veel gevallen is het vooral bedoeld om de kosten van de procedure te drukken.

Ook over de alimentatie en de gezagsvoorziening (de zorg voor de eventuele kinderen) blijkt, althans voor de rechter, minder ruzie gemaakt te worden dan je op het eerste gezicht - en wat je daar zo regelmatig over hoort - zou verwachten. Zo'n 80 tot 90% van de ouders blijkt ten aanzien van de zorg voor de kinderen een voor beide partijen aanvaardbaar arrangement te hebben getroffen. In de meeste gevallen zal de rechter dat volgen, zeker als ook de kinderen het met de oplossing van de ouders eens zijn. Kortom, in de overgrote meerderheid van de gevallen blijft de echtscheiding tot een volledig schriftelijke procedure beperkt, zonder dagvaarding, zonder mondeling overleg met de rechter, zonder inmenging ook van de Raad voor de Kinderbescherming.

Echtscheiding is een oplossing als er in een huwelijk weer over alles gepraat moet worden en men er tegelijkertijd geen zin meer in heeft om die moeite op te brengen. Uit de praktijk van de echtscheidingsprocedure blijkt dat in de meerderheid van de gevallen de problemen die met een echtscheiding onvermijdelijk gepaard gaan, meestal al voor de aanvang van de officiële procedure opgelost of minstens hanteerbaar zijn gemaakt, vaak met behulp van een advocaat.

Mevrouw Lenters pleit ervoor in zulke gevallen de mogelijkheid te openen van een buitengerechtelijke echtscheidingsprocedure. De rechter kan in zulke gevallen als beroepsinstantie fungeren. Zeker wanneer er geen minderjarige kinderen in het spel zijn, zou de procedure eenvoudig kunnen zijn en niet meer hoeven te omvatten dan met behulp van een deskundige (een advocaat bijvoorbeeld of iemand die zich op een lager niveau in echtscheidingsprocedures gespecialiseerd heeft, zoals in Denemarken het geval is) een regeling treffen ten aanzien van de alimentatie en de woning- of boedelscheiding. De ambtenaar van de burgerlijke stand draagt vervolgens zorg voor het opmaken van een echtscheidingsakte, die na controle op enkele formele punten en met een zekere vertraging in de tijd tenslotte in de registers van de burgerlijke stand kan worden ingeschreven. Daarmee is het huwelijk dan ontbonden met een minimum aan kosten en gedoe.

Zijn er kinderen, dan kan in principe toch dezelfde procedure gevolgd worden, alleen moet dan de Raad voor de Kinderbescherming formeel de mogelijkheid hebben te interveniëren, wanneer zij vindt dat tegen een automatische voortzetting van de gezamenlijke ouderlijke macht na de echtscheiding bezwaar gemaakt zou moeten worden. Dat is dan wel een heel nieuw gegeven, omdat op dit moment in Nederland de ouderlijke macht na de echtscheiding juist niet ongedeeld wordt gecontinueerd. In Zweden en Denemarken is dat wel het geval en mevrouw Lenters pleit ervoor deze mogelijkheid ook hier in te voeren, niet in de laatste plaats omdat het tot uitdrukking brengt dat de regeling van een echtscheiding bij voorkeur in een sfeer van overeenstemming - en niet van voortgezet conflict - dient plaats te vinden. Afspraken over het feitelijke gezag over de kinderen horen in principe door de ouders zelf gemaakt te worden. Komt men er niet uit, dan kan altijd nog de rechter te hulp worden geroepen.

Het echtscheidingsmodel dat mevrouw Lenters voorstaat, is sterk geïnspireerd door vooral het Deense en enigszins ook het Zweedse recht op dit gebied. Door de echtscheidingsregelingen in verschillende landen, culturen, religies en tijden met elkaar te vergelijken, wordt duidelijk hoezeer het echtscheidingsrecht bepaald is door de plaats die in een bepaalde samenleving aan het huwelijk wordt toebedeeld en zeker ook door de rol die ieder van beide echtelieden geacht wordt maatschappelijk te spelen. Gaat men er vanuit dat man en vrouw beiden onafhankelijk van elkaar voor hun levensonderhoud moeten kunnen zorgen, dan komt echtscheiding in een heel ander licht te staan dan in een land zoals Nederland, waar dit juist niet gebruikelijk was en echtscheiding in veel gevallen feitelijk alleen mogelijk was met een beroep op de Gemeentelijke Sociale Dienst. Dat is aan het veranderen en daarom is het de vraag of het voor de toekomst wel een goed idee is om juist bij de GSD een echtscheidingsbureau te vestigen, zoals mevrouw Lenters suggereert. De buitengerechtelijke echtscheidingsprocedure zou dan weleens als een tweederangsprocedure kunnen worden beschouwd. Wie het kan doen, laat zich dan via de rechter scheiden.

Juridische proefschriften lijken in het geheel niet op de onderzoeksverslagen, die in de natuur-en menswetenschappen, tegenwoordig steeds meer ook in de cultuurwetenschappen, gebruikelijk zijn. Ik vind dat geen nadeel, integendeel, het betogende, ontledende, kiezende, stellende en voorschrijvende karakter van veel van het juridische werk heeft een heel eigen charme. Praktische problemen blijken grote principiële vraagstukken te bevatten en anders dan in de filosofie moeten deze vraagstukken ook opgelost worden in een vorm die zelf ook weer praktisch is en bovendien moet passen bij eerder gekozen oplossingen. In de jurisprudentie zie je een soort kunstmatige intelligentie groeien, een regulatief systeem, dat temeer interessant is omdat het vergroeid is met de problemen die zich in de Nederlandse samenleving voordoen en voortdurend rekening houdt met de stand van het rechtsgevoel in de bevolking. Dit proefschrift is daar een mooi voorbeeld van. Het gaat uit van een veranderde beleving van echtscheiding in de samenleving en komt met een ontwerp voor een nieuwe procedure die daarmee meer in overeenstemming is. Op die manier beinvloedt dit ontwerp ook zelf weer de discussie over de beste regeling van een echtscheiding. Zou het de vorm van een wet krijgen - wat me voorlopig niet erg waarschijnlijk lijkt - dan heeft het ook weer invloed op de beleving van de echtscheiding zelf.