De prijs van vrede

DE VERENIGDE NATIES hebben in Somalië een blauwtje gelopen. Secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali heeft in dat land een nieuw en hardhandig VN-concept willen beproeven, gericht niet alleen op vrede bewaren, maar ook op vrede stichten, met het geweer in de hand. Uitvloeisel van die aanpak was een assertief zoeken naar wapens in de volksbuurten van Mogadishu, de reactie daarop een moordaanslag op een eenheid Pakistaanse blauwhelmen. Op de volgende treden van de geweldsladder volgden inzet van helikopters en Amerikaanse Rangers om de verantwoordelijk geachte krijgsheer Aideed te vangen en voor zijn daden te straffen, en, ten slotte, overtuigende represailles van diens militie.

Nu de Amerikanen hebben besloten zich van zijn beleid te distantiëren, moet ook Boutros-Ghali inbinden. Hij heeft de Veiligheidsraad een rapport beloofd waarin de vraag hoe het nu verder moet met vredesmissies zal worden beantwoord. Uit uitspraken van de secretaris-generaal mag al worden afgeleid dat hij noodgedwongen moet terugkeren naar de pure blauwhelm-actie, inhoudende controle van tussen strijdende partijen overeengekomen demarcatielijnen op grond van een mandaat van diezelfde partijen.

OF DIE STAP-TERUG de missie in Somalië zal kunnen redden is twijfelachtig. De meeste landen met troepen daar haasten zich naar het Amerikaanse voorbeeld te vertrekken. Maar van meer betekenis is nog de vraag of er voor de blauwhelmen hoegenaamd nog een toekomst is weggelegd. Op grond van historische ervaringen mag worden aangenomen dat er bij partijen een staat van verzadiging of juist van uitputting moet zijn ingetreden wil een missie een kans van slagen hebben. De aanwezigheid van sterkere staten als garantiemacht op de achtergrond kan een positieve factor zijn zolang deze belang menen te hebben bij het verzekeren van een bestaande of ingetreden status quo. Die combinatie van omstandigheden is blijkbaar te uitzonderlijk om als uitgangspunt voor een duurzaam beleid te dienen.

De langstlopende VN-missie, op Cyprus, helpt een status quo handhaven die partijen op het eiland en het geïnteresseerde Griekenland en Turkije totdusver bevalt. Het succes van de VN in Cambodja werd ondermeer mogelijk gemaakt doordat de mogendheden met belangen in Cambodja afstand namen tot de Rode Khmer. De geschiedenis van UNIFIL in Libanon is nog steeds een van de leerzaamste waar het om de mogelijkheden en onmogelijkheden van blauwhelm-interventies gaat: meer dan twee met elkaar wedijverende partijen op een beperkt gebied maakt een succesvol optreden praktisch onmogelijk. De macht op de achtergrond is hier inmiddels het onruststokende Iran.

De verleiding is groot om tenminste de humanitaire missies te redden. Maar hoewel zij van alle denkbare operaties het minst militair schijnen, stuiten zij nog eerder op tegenstand dan een op grond van een duidelijke overeenkomst ondernomen vredebewarende onderneming. Humanitaire missies hebben naar hun aard een status quo verstorend karakter. Hulp in de vorm van voedsel en medicijnen sterkt een belegerde bevolking en de strijders die zich onder haar bevinden. Belegeraars menen doorgaans over goede militaire argumenten te beschikken om dergelijke steunacties onmogelijk te maken. Bosnië laat zien hoe dat in zijn werk gaat.

HELAAS LATEN DE ontwikkelingen in de wereld de VN nauwelijks opties om uit de impasse te geraken. Dat ligt aan de VN-bureaucratie die veelal niet opgewassen bleek tegen de moeilijkheden op haar weg, maar dat ligt nog meer aan de lidstaten van de volkerenorganisatie, de permanente leden van de Veiligheidsraad voorop. Vrede is nog altijd een bederfelijk goed waarvoor een hoge prijs moet worden betaald.