Chemie bereid tot afspraak met EZ

ROTTERDAM, 28 OKT. De Vereniging van de chemische industrie (VNCI) ziet geen belemmeringen meer voor een "meerjarenafspraak' met het ministerie van economische zaken over energiebesparing. Dat heeft de organisatie laten weten in reactie op het besluit van de Tweede Kamer om geen speciale milieubelasting meer te heffen op zogenoemde restbrandstoffen.

Nu deze lastenverlichting een feit is, zal de vereniging er bij alle grote energiegebruikers onder haar leden op aandringen de overeenkomst met EZ te tekenen, zo heeft ze de Tweede Kamer per brief laten weten. De overeenkomst houdt in dat de doelmatigheid van het energieverbruik tegen het jaar 2000 met 20 procent zal zijn verhoogd. Die besparing betekent dat het huidige produktieniveau over zeven jaar met een vijfde minder energie wordt gerealiseerd.

Ondertekening van de besparingsovereenkomst was door de chemische industrie opgeschort, omdat veel chemiebedrijven enkele jaren geleden hoge milieuheffingen kregen opgelegd. Behalve de gewone heffing over ingekochte energie (die blijft bestaan) betaalden ze een extra bedrag over gassen die bij het produktieproces ontstaan. Die gassen, "restbrandstoffen' genoemd, worden veelal gebruikt voor warmte-, stoom- en elektriciteitsopwekking. Daarvoor hadden de chemische bedrijven forse investeringen gedaan. Niettemin werden ze door de heffing op restbrandstoffen extra belast, behalve wanneer ze de gassen de lucht inbliezen of op een schoorsteen verbrandden (affakkelen). Dat leidde tot een ontmoediging van de investeringen in energiebesparing. Daarom heeft de chemische industrie de redelijkheid van de heffing altijd betwist, aldus de brief aan de Tweede Kamer. “Immers, een van de manieren om de ingekochte hoeveelheid energie van de industrie terug te dringen, is de inzet van bij het produktieproces vrijkomende restbrandstoffen.”