Bruut

De renovatie heeft de bewoners van het gebouw dichter bij elkaar gebracht. De vage gestalten in de erkers hebben een gezicht en een naam gekregen. Niets bindt méér dan gemeenschappelijk verzet tegen een overmacht. Zeker als die bestaat uit een horde slopers, betonwerkers, lassers, timmerlui, loodgieters, schilders en hun bazen.

Maar de dubbele ramen zitten er nu in. Voortaan bieden vier lagen glas bescherming tegen het lawaai van trams en auto's. “Ons eerste geluidsproject mevrouwtje”, zei de aannemer trots, “van het verkeer zult U weinig last meer hebben. De buren zult U echter wèl horen.”

De man heeft gelijk. Ongewild volg ik het levensritme van de anderen. Mijn oren lijken schotelantennes die elk geluid opvangen binnen de twee vleugels van het pand. Links krijst steevast tegen negenen een kind dat niet naar bed wil. Om elf uur laat iemand borrelende winden in bad. Rechts stommelt de barkeeper tegen tweeën de trap op. De popmusicus wordt om vier uur afgezet, terwijl de nachtwaker om half zes achter de warme rug van zijn vrouw kruipt.

Om kwart voor acht schrik ik wakker. Er bonkt iemand met beide vuisten op mijn deur. “Laat me erin, verdomme”, schreeuwt een man. Voorzichtig doe ik open. Niemand te zien. De stem komt uit het belendende trappenhuis. “Het is altijd 't zelfde met jou”, roept de onbekende. Boven klapt een deur. “Af Bruut, hier!” commandeert de eigenaar zijn herder. Een bakbeest dat meer weg heeft van een beer dan een hond.

Even blijft het stil. Als de voordeur dichtvalt, klinkt het heel timide: “Mag ik mijn kleren alsjeblieft terug.” Enkele minuten later zie ik hem staan aan de overkant van de straat. Een magere jongen in leren jack en spijkerbroek, starend naar het raam van het meisje. Tegen lunchtijd geeft hij het op. Ik heb hem nooit meer gezien of gehoord.

    • Caroline Willems