Bedrijfstakken in neergang niet gebaat bij overheidssteun

ROTTERDAM, 28 OKT. Steun van overheden voor bedrijfstakken die structureel in verval verkeren doet over het algemeen meer kwaad dan goed. Soms kunnen zulke steunoperaties de neergang tijdelijk vertragen, maar meestal leiden ze slechts tot grote verliezen en chaotische toestanden. Dat stelt C. de Voogd in zijn gisteren verschenen proefschrift De Neergang van de scheepsbouw en andere industriële bedrijfstakken.

Volgens De Voogd is “een neergang van een bedrijfstak door structurele oorzaken - zoals door een trendbreuk in de vraag, de opkomst van een substitutieprodukt of van nieuwe industrielanden - (..) in het algemeen niet te voorkomen of tegen te houden”. Hij vindt dat bedrijven in zo'n sector er het beste aan doen om een dergelijke neergang als gegeven te aanvaarden in hun beleidsvorming.

Dat geldt volgens De Voogd eveneens voor de betrokken overheden. Deze partijen moeten ernaar streven “het neergangsproces beheersbaar” te houden, de onvermijdelijke aanpassingen ordelijk te laten verlopen en de verliezen aan kapitaal en werkgelegenheid te beperken door nieuwe activiteiten te ontwikkelen, zo verdedigde De Voogd zijn proefschrift gisteren aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit tegenover zijn promotiecommissie. Daarin hadden, naast de professoren A. van der Zwan en H.P.J. Ophof, onder anderen ook de secretaris-generaal van Economische Zaken, mr. L.A. Geelhoed, zitting.

Het probleem is dat ondernemers en overheden in veel gevallen niet tijdig kunnen accepteren dat een nationale bedrijfstak gedoemd is tot neergang, stelt De Voogd. Zij wijten een inzinking bijvoorbeeld aan conjuncturele omstandigheden en beseffen te laat dat het betroken produkt structureel niet meer in een vraag voorziet of dat concurrenten in andere landen blijvend in staat zijn een beter of goedkoper produkt te leveren. Vanuit de gedachte dat de neergang tijdelijk is, proberen de ondernemers in zulke gevallen meestal financiële steun van de overheid te krijgen - steun die uit het oogpunt van werkgelegenheidsbehoud zeker in het verleden vaak is verstrekt.

Dat zo onbeheersbare processen op gang kunnen komen illustreert De Voogd aan de hand van de geruchtmakende ondergang van het scheepswerven-conglomeraat Rijn-Schelde-Verolme (RSV) begin jaren tachtig. De Voogd, die zelf van 1965 tot 1980 verschillende functies in de scheepsbouw heeft bekleed en nu een onderzoeks- en adviespraktijk leidt, onderzocht de afgelopen drie jaar voor zijn proefschrift hoe het proces van neergang in deze industriële sector is verlopen en wat de rol van de Nederlandse scheepswerven hierin was. Een rol die volgens hem door de Parlementaire Enquêtecommissie RSV te ongenuanceerd is beschreven. De enquêtecommissie beging in 1984 “een ernstige ommissie door bij haar kritische beoordeling van het beleid, dat in de jaren zestig en zeventig door de Nederlandse scheepsbouwers is gevoerd, geen vergelijking te maken met de gang van zaken in andere scheepsbouwlanden. Hierdoor kwam de Enquêtecommissie tot een eenzijdig negatief en onvoldoende genuanceerd oordeel over de desbetreffende Nederlandse ondernemers”, aldus De Voogd.

Dat de scheepsbouwers - evenals trouwens de betrokken regeringspartijen en de vakbonden - de situatie verkeerd hebben aangepakt, staat volgens De Voogd niet ter discussie. Zijn kritiek richt zich op het feit dat de parlementaire enquêteurs nauwelijks zijn ingegaan op de vraag welk beleid dan wèl had moeten worden gevoerd. Om hierop een antwoord te vinden, heeft De Voogd ter vergelijking onderzocht hoe de inkrimping van de scheepsbouw in landen als Groot-Brittannië, Duitsland en Japan is verlopen en hoe andere Westerse industrieën, zoals de petrochemie, de mijnbouw, de vezelsector en de staalindustrie, hebben gereageerd op verslechterende omstandigheden.

Uit zijn onderzoek blijkt dat men ook in andere landen moeilijk afstand kon doen van een destijds zo belangrijk geachte bedrijfstak als de scheepsbouw en de concurrentie van lage-lonenlanden als Korea niet goed heeft weten te taxeren. Evenals in Nederland leidden steunoperaties van de overheden en de druk van de vakbonden, die de werkgelegenheid tot iedere prijs wilden behouden, ertoe dat de noodzakelijke sanering veel te laat op gang kwam en bovendien veel te veel geld kostte.

Tijdig reageren kan volgens De Voogd veel ellende voorkomen. Als voorbeeld noemt hij de “succesvolle collectieve sanering” van de Nederlandse mijnen in de jaren zestig en zeventig. Daarbij sloegen overheid, vakbonden en directie van DSM in een vroeg stadium de handen ineen om nieuwe activiteiten te ontplooien en vervangende werkgelegenheid te creëren. Nieuwe concurrentie of structurele vraaguitval hoeven er volgens De Voogd niet altijd toe te leiden dat een bedrijfstak geheel verdwijnt: de petrochemie en de Europese vezelindustrie zijn in het verleden door samenwerking tussen ondernemingen in staat gebleken zulke ontwikkelingen op te vangen.