Wetenschappers mogen kwart werktijd bijklussen

Er kleven tal van nadelige aspecten aan de nevenactiviteiten van "bijklussende' hoogleraren. Met alle risico's van dien voor de universiteit als vrijplaats voor wetenschappelijk denken en handelen. De bestuurskundige prof. Hoogerwerf suggereert enkele maatregelen om die risico's te neutraliseren.

Tot de normale werkzaamheden van het wetenschappelijk personeel reken ik het geven van wetenschappelijk onderwijs, het doen van (vooral fundamenteel) wetenschappelijk onderzoek via de normale universitaire begroting en/of NWO-subsidies, het schrijven van wetenschappelijke publikaties en de - niet te overdrijven - noodzakelijke bestuurlijke activiteiten binnen de universteit. Alle werkzaamheden die daarbuiten vallen, noem ik nevenactiviteiten.

Deze nevenactiviteiten kennen een commerciële en een niet-commerciële variant. Met commerciële nevenactiviteiten bedoel ik contractonderzoek, contractonderwijs, contractadvisering en alle andere werkzaamheden die voor derden worden verricht en die door anderen dan de universiteit worden betaald op professionele basis en tegen marktprijzen. De financiële baten kunnen bij commerciële activiteiten naar de universiteit of naar het privé-inkomen van het betrokken lid van het universitaire personeel vloeien. Op dit verschil kom ik terug.

De niet-commerciële activiteiten zijn de niet of nauwelijks financieel gehonoreerde nevenactiviteiten. Tot mijn eigen niet-commerciële nevenactiviteiten behoorden het voorzitterschap van een tijdschriftredactie, van een wetenschappelijke vereniging, van een postdoctorale onderzoeksopleiding, van een jury voor een wetenschappelijke prijs en van een tijdelijk adviesorgaan voor de overheid, evenals het lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Ik beperk me tot de commerciële nevenactiviteiten, omdat juist deze kunnen een bedreiging voor de academie vormen. Deze nevenactiviteiten maken deel uit van een bredere commercialisering van de samenleving, zoals die zich ook voordoet bij de communicatiemedia, de uitgeverijen, de gezondheidszorg en de kunst.

Ik vat de bezwaren of nadelen van commerciële nevenactiviteiten als volgt samen. Allereerst legt het commerciële werk beslag op de schaarse tijd voor het onderwijs, voor het fundamentele onderzoek via de universitaire begroting of NWO-subsidies, en voor de niet-commerciële, maar noodzakelijke nevenactiviteiten die ik al noemde. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Ik ken een hoogleraar die afgezien van zijn salaris geen enkele ondersteuning uit de universitaire begroting krijgt, een legertje van mensen in het contractonderzoek aan het werk houdt en de baten daarvan geheel naar de universiteit laat vloeien. Maar er zijn ook hoogleraren die ten bate van hun privé-inkomen zoveel tijd aan contractonderzoek besteden dat hun door de universiteit gefinancierde onderzoek, publikaties, begeleiding van afstudeerders en promovendi en hun aandeel in landelijke taken op het vakgebied er waarneembaar onder lijden. Een goed functionerend hoogleraarschap vergt meer dan 38 arbeidsuren per week en is onverenigbaar met andere tijdrovende functies.

Een tweede bezwaar van commerciële nevenactiviteiten is dat de waardenschaal van de betrokkenen er negatief door kan worden beïnvloed. Het streven naar financieel gewin ondermijnt bij commercieel werk gemakkelijk het zoeken naar de waarheid. De werk- en levensstijl van vele commerciële adviseurs die voor hoge bedragen in weinig tijd slecht werk leveren, zou met het oog op de wetenschappelijke cultuur in de universiteit een afschrikwekkend voorbeeld moeten zijn. Het hoogleraarssalaris behoort in Nederland tot de hoogste inkomens. Ik zie niet in waarom iemand ernaar moet streven een nog hoger inkomen te verwerven, zeker niet zolang zovelen in armoede leven.

Een derde bezwaar tegen commerciële nevenactiviteiten is dat de keuze van de onderzoeksthema's en probleemstellingen daarbij eenzijdig wordt beïnvloed door de voorkeuren en belangen van kapitaalkrachtige en politiek machtige personen en organisaties. Het fundamenteel onderzoek, dat geen bepaalde praktische toepassing op het oog heeft, behoort uitsluitend te worden gestuurd door zuiver wetenschappelijke vraagstellingen. Het toegepaste onderzoek, waarbij men wel een bepaalde praktische toepassing op het oog heeft, behoort te worden afgestemd op maatschappelijke problemen.

Bovendien - dit is het vierde bezwaar - krijgt het onderzoek door commerciële activiteiten al gauw een te modieus, te weinig continu, te weinig cumulatief en te weinig op de lange termijn gericht karakter. De hedendaagse maatschappelijke elites laten zich immers meer door modes leiden dan door waardevolle tradities en het streven naar wetenschappelijke continuïteit en cumulatie.

Het vijfde bezwaar tegen commerciële nevenactiviteiten is de beperking van de academische vrijheid. Ook dit bezwaar heeft zijn nuances. In de huidige Nederlandse verhoudingen worden onderzoekers niet vaak gedwongen onderzoek te doen waartegen zij ethische bezwaren hebben. Wel komt het veel voor dat opdrachtgevers een onderzoeker uitkiezen die in hun politieke straatje past en kneedbaar is. Ook komt het voor dat ambtenaren in een begeleidingscommissie er op uit zijn de opzet en de formuleringen van het onderzoeksrapport zo te beïnvloeden dat de bestaande beleidsvisie er door wordt ondersteund en er geen vraagtekens bij worden geplaatst.

Een zesde bezwaar tegen commerciële nevenactiviteiten is dat hun wetenschappelijke kwaliteit onvoldoende is gegarandeerd. Het buitenuniversitaire onderzoek, de consultancy en de cursussen op commerciële basis hebben voorzover ik daarvan heb kunnen kennisnemen vaak een bedenkelijk lage kwaliteit.

Een zevende en zeker niet het minste bezwaar is dat de uitvoerende onderzoekers bij contractonderzoek veelal slechts tijdelijk en voor een korte termijn worden aangesteld. Hun arbeidsrechtelijke positie is daardoor zwak.

Ik heb nu een aantal schaduwzijden van vooral commerciële nevenactiviteiten genoemd. Vanzelfsprekend zie ik ook zonzijden, anders zou ik mij nooit met contractonderzoek en contractonderwijs hebben beziggehouden. Als zonzijde van dat werk beschouw ik vooral de mogelijkheid om jonge academici zinvolle werkgelegenheid in het onderzoek en onderwijs te verschaffen, nu de politiek steeds minder bereid is de universiteiten een adequate financiële steun te geven. Een andere zonzijde is het verwerven van extra financiële middelen voor het aanschaffen van boeken, tijdschriften en computers en voor buitenlands congresbezoek en dergelijke. Tot de voordelen reken ik ook het contact met professionals van buiten de universiteit, dat het inzicht in maatschappelijke verhoudingen kan scherpen en tot nadenken kan prikkelen. Het contractonderzoek stimuleert toegepast onderzoek en kan daardoor ook tot de oplossing van maatschappelijke problemen bijdragen.

Als voordeel van commerciële nevenactiviteiten noemt men vaak ook dat daardoor de financiële onafhankelijkheid van de universiteit ten opzichte van de overheid, in casu het ministerie van onderwijs en wetenschappen, wordt vergroot. Ik stel daartegenover dat de universiteit door contractwerk niet alleen financieel, maar ook op het essentiële punt van de inhoud van het onderzoek en het onderwijs afhankelijk wordt van de opdrachtgevers bij de overheid en het bedrijfsleven.

Duidelijk is dat een evenwicht moet worden gezocht. Een gedachte die zich na de ontwikkelingen in de laatste halve eeuw opdringt, is dat de relaties tussen universiteit en samenleving sterk aan modes onderhevig zijn. De verzuiling, Marx en de markt zijn elkaar in de 33 jaar waarin ik aan drie universiteiten werkte, soepel opgevolgd. Als ik soms dezelfde mensen die twintig jaar geleden alles van Marx en de staat verwachtten nu de markt hoor prediken, kan ik daarvan niet echt onder de indruk raken. Ik verwacht dat de huidige eenzijdige oriëntatie van de universiteit op de markt over één of twee decennia vrij algemeen net zo dwaas zal worden gevonden als men nu de neo-marxistische golf uit de jaren zestig en zeventig vindt.

Een andere conclusie is de noodzaak van een besef van blijvende dilemma's. Tot de lastige keuzen van de universiteit behoren het dilemma van onafhankelijkheid en dienstverlening aan de maatschappij en het dilemma van fundamenteel en toegepast onderzoek. De oplossing van deze dilemma's wordt zowel door de marktdenkers van de jaren tachtig en negentig als door de marxisten van de jaren zestig en zeventig te eenzijdig in dienstverlening aan de maatschappij gezocht. Wil de wetenschap echter de maatschappij op haar wijze kunnen dienen, dan zal zij behalve dienstvaardig tevens onafhankelijk moeten zijn.

Tot slot geef ik voor elk van de zeven genoemde schaduwzijden van commerciële nevenactiviteiten kort de richting van een mogelijke oplossing aan. Ten eerste is een volledige betrekking als lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit niet verenigbaar met andere werkzaamheden die een particulier inkomen tegen marktprijzen opleveren. Een personeelslid dat neveninkomsten tegen marktprijzen verwerft, moet daarvoor een evenredige vermindering van zijn arbeidstijd bij de universiteit en dus ook van zijn universitaire salaris krijgen. De lasten van het commerciële werk van de universiteit dienen, rekening houdend met de taken en de bekwaamheden, zo evenredig mogelijk over het wetenschappelijk personeel in vaste dienst te worden verdeeld. De omvang van het commerciële werk moet per lid van het wetenschappelijk personeel, dat in vaste dienst werkt, beperkt blijven tot maximaal een kwart van de totale arbeidstijd. Daarnaast kunnen er uiteraard onderzoekers zonder vast dienstverband werkzaam zijn die zich meer ofgeheel wijden aan contractonderzoek.

Ten tweede dienen de financiële netto-baten van commerciële nevenactiviteiten, waarbij de universiteit als contractpartner betrokken is, naar fondsen in de universiteit te vloeien. Zij die deze inkomsten voor de universiteit hebben verworven, moeten ook geheel of gedeeltelijk kunnen beslissen over de bestemming van deze fondsen voor doeleinden die functioneel zijn voor de universiteit. In de derde plaats moeten commerciële nevenactiviteiten passen binnen de thema's van het onderzoek dat uit de normale universiteitsbegroting wordt betaald. Ten vierde moeten commerciële nevenactiviteiten zich per personeelslid en per vakgroep kenmerken door voldoende continuïteit om de nodige deskundigheid en cumulatief werk te verzekeren.

Verder moeten commerciële nevenactiviteiten de wetenschappelijke vrijheid van de onderzoekers en de rapporteurs volledig onverlet laten. Bij de selectie en de begeleiding behoort de wetenschappelijke kwaliteit een doorslaggevend criterium te zijn. In de zesde plaats moeten de resultaten van commerciële nevenactiviteiten openbaar zijn. En tot slot moeten contractonderzoekers na vier jaar een vaste aanstelling krijgen. indien dat financieel mogelijk is.

Zolang aan dergelijke voorwaarden niet is voldaan, blijft de vraag: wie drijft de commercie uit de tempel van de wetenschap?

    • A. Hoogerwerf