Vredeling rechtvaardigt zijn solo-actie voor Israel

DEN HAAG, 27 OKT. Het besluit in 1973 van oud-minister van defensie Vredeling om wapens te leveren aan Israel was louter en alleen ingegeven door de “volstrekte noodsituatie” waarin dat land toen verkeerde. Daarmee verklaarde Vredeling gisteravond zijn handelwijze, waarin hij niet de toenmalige premier Den Uyl betrok, evenmin als minister van buitenlandse zaken Van der Stoel.

Vredeling wilde niet het risico lopen dat door het bekend worden van de leveranties de zaak alsnog niet zou doorgaan. Vredeling wilde zijn beide collega's niet in verlegenheid brengen, zei hij gisteravond. Hij vreesde evenwel ook dat Den Uyl en Van der Stoel “om buitenlandpolitieke redenen” nee zouden zeggen of in ieder geval bedenktijd hadden gevraagd. Vandaar zijn besluit om op eigen houtje te opereren.

Als reactie op de Nederlandse wapenleverantie aan Israel, dat met zijn buren in de Grote-Verzoendagoorlog (Yom-Kippuroorlog) verwikkeld was, besloot Saoedi-Arabië tot een olieboycot van Nederland. Althans dat beweert de voormalige minister van oliezaken van Saoedi-Arabië, Yamani. Vredeling zelf is ervan overtuigd dat de Arabieren niets wisten van de wapenleverantie aan Israel en dat eerder de duidelijke Nederlandse politieke steun aan Israel landen als Saoedi-Arabië deed besluiten tot een strafmaatregel.

Vredelings toenmalige staatssecretaris Stemerdink (PvdA) bevestigt de lezing van de oud-minister. “Vredeling kwam op een bepaald moment bij mij langs en zei: dit is de situatie, wat vind jij ervan? Ik zei: dat moet je doen, hè. En zo is het gegaan. Dat is eigenlijk alles.” Overigens meent Stemerdink dat het niet om wapens ging, maar om munitie en reserveonderdelen voor wapens waarover zowel Nederland als Israel beschikte.

Inmiddels heeft GroenLinks vragen gesteld aan minister-president Lubbers, die in hetzelfde kabinet-Den Uyl minister van economische zaken was. GroenLinks wil opheldering over de gang van zaken. De Kamerleden Lankhorst en Rosenmöller willen weten of Lubbers als minister van economische zaken op de hoogte was van exportvergunningen voor dit soort transacties. Zij wensen tevens klip en klaar op tafel of bewindslieden van defensie - ook anno 1993 - de bevoegdheid hebben om zonder medeweten van het kabinet toestemming te verlenen voor de uitvoer van wapens en munitie.

Staatsrechtdeskundige prof.mr. J.J. Vis van de Rijksuniversiteit Groningen zei in een reactie dat het op eigen houtje handelen van een minister buiten de ministerraad om in strijd is met het Reglement van Orde van de ministerraad en daarom staatsrechtelijk te veroordelen. Vis: “Een minister die dat toch doet, moet aftreden. Maar ook de geschiedenis moet oordelen. Politiek en historisch ligt de kwestie een stuk moeilijker.”

Defensiespecialist dr. K. Colijn van de Leidse universiteit, gepromoveerd op het Nederlands wapenexportbeleid, wijst erop dat wapenleveranties niet zijn toegestaan (ook in 1973 al niet) zonder een vergunning van Economische Zaken op grond van de In- en uitvoerwet 1962 en het Besluit Strategische goederen van 1963. Zo'n vergunning voor leveranties aan Israel was er niet. “Bovendien dient het politieke aspect van wapenleveranties te worden gedelegeerd aan het ministerie van buitenlandse zaken.” Met andere woorden, Vredeling had toenmalig minister Van der Stoel op de hoogte dienen te stellen, en dat is niet gebeurd, zei Colijn.

Vredeling beweerde gisteravond dat het voor Israel tijdens de week van de Yom-Kippoeroorlog met Egypte en Syrië bij wijze van spreken een kwestie van vierentwintig uur was en dat het land dreigde ten onder te gaan. “Israel werd bij wijze van spreken afgeslacht, het was een volstrekte noodsituatie, ik wilde er absoluut zeker van zijn dat Israel geholpen zou worden”, rechtvaardigt Vredeling zijn solo-actie.

Vredeling erkent dat zijn niet consulteren van Den Uyl en minister van buitenlandse zaken Van der Stoel wellicht staatsrechtelijk niet juist en niet te verdedigen was. Bij hem speelden ook emotionele redenen een rol: “Ik had de joden één keer zien afdrijven, toen kon ik het niet voorkomen. Ik dacht, dat zal mij geen tweede keer gebeuren. Daarom heb ik gebruik gemaakt van mijn bevoegdheid.”

Vredeling onderschrijft dat het hem de politieke kop had kunnen kosten als de kwestie naar buiten was gekomen. Hij zegt bewust het risico te hebben gelopen dat hij had moeten aftreden. “Ik heb alle risico's op me genomen, met de volle verantwoordelijkheid. Maar ik heb niets illegaals gedaan naar mijn gevoel en dat vind ik nog steeds.”

"Ik heb alle risico's op me genomen, met alle verantwoordelijkheid'