Onlustgevoelens in de Indonesische provincies; Atjeh en de stem uit het koffiehuis

Golkar, de regeringspartij van Indonesië, heeft zich deze week door president Soeharto een nieuwe voorzitter laten opdringen: minister van informatie Harmoko. Die krijgt het niet makkelijk, want nog niet de helft van de provinciale afdelingen steunde zijn kandidatuur. Ook het leger is niet blij met deze burger. Dat kan ertoe leiden dat de militairen onlustgevoelens in de provincie gaan uitspelen tegen "Golkar-Jakarta.' Het vanouds dwarse Atjeh gaf eerder dit jaar een voorproefje van die naderende krachtmeting.

BANDA ATJEH, 27 OKT. “Een gouverneur van Atjeh behoort een zoon te zijn van de streek. En liever geen Atjeher die zijn hele leven in Jakarta heeft gewoond. Daarom wilden we Pak Syam; die kennen we. Hij heeft bovendien vijf titels: professor, doctor, Master, doctorandus en hadji.” Aan het woord is de uitbater van een kadai kopi (koffiehuis) in Darussalam, een universiteitsdorp even buiten Banda Atjeh, de hoofdstad van Indonesiës meest islamitische en tevens lastigste provincie.

Een stem uit het koffiehuis moet serieus worden genomen. Daar immers neemt Atjeh's mannelijke bevolking meermalen daags de Grote Politiek door achter een heet, zwart glas. Darussalam is bovendien een welingelicht wereldje. De campus is de bakermat van Atjeh's nieuwe elite, die in de plaats kwam van ulebalang (adellijke regenten) en ulama (islamitische schriftgeleerden). "Pak (vader) Syam', de koosnaam voor prof. dr. Syamsuddin Mahmud (58) die dit voorjaar gouverneur werd, is de verpersoonlijking van dit nieuwe, wereldser Atjeh.

Sinds de val van het sultanaat in 1903, toen Van Heutsz en Colijn Atjeh onder het gezag van Batavia brachten, werd deze noordwestelijke uithoek van Indië bestuurd door Hollandse officieren en hun adellijke zetbazen. In februari 1942, aan de vooravond van de Japanse invasie, nam Atjeh de wapens tegen Nederland weer op. Toen de Japanners zich in december 1945 terugtrokken en de Hollanders, die hun handen vol hadden aan de herbezetting van Java, Atjeh aan zijn lot overlieten, kwam het gebied in de greep van islamitische hervormers. Die rekenden in een bloedige revolutie af met de pro-Hollandse ambtsadel.

De religieuze leiders kozen voor aansluiting bij de Republiek Indonesië, maar toen die Atjeh bij de provincie Noord-Sumatra voegde, sloeg de vlam wederom in de pan. In 1953 rebelleerde Atjeh onder leiding van de ulama Muhammad Daud Beureueh tegen Jakarta. Inzet van de opstand: een autonome deelstaat Atjeh binnen een islamitische republiek Indonesië, een staatsvorm die ook in West-Java en Zuid-Sulawesi aanhangers vond. Deze rebellie bleek moeilijker te bedwingen dan de opstanden in andere delen van de archipel en in 1959 deed Jakarta een concessie: Atjeh werd een daerah istimewa, een provincie met bijzondere bevoegdheden op het gebied van onderwijs, religie en rechtspraak.

Sindsdien heeft de islamitische shariah - voor zover niet strijdig met landelijke regelgeving - in Atjeh kracht van wet. In deze provincie voert de politie niet alleen landelijke wetten en plaatselijke verordeningen uit, maar ook fatwa, voor gelovigen bindende uitspraken van de schriftgeleerden. Alcohol wordt er niet geschonken of in het openbaar verkocht; verstokte drinkers zijn aangewezen op sterrenhotels met een speciale vergunning. De Indonesische staatsloterij mag er geen loten verkopen en in de buurt van moskeeën geldt een claxonneerverbod

Het compromis met de centrale regering bracht Atjeh voorlopig tot rust en schiep de voorwaarden voor ontwikkeling van de provincie, die als gevolg van bijna honderd jaar krijgsgeweld verstoken was gebleven van modern onderwijs, een goede infrastructuur en gezondheidszorg. Op 2 september 1959 opende president Soekarno in Banda Atjeh de economische faculteit van de Syiah Kuala Universiteit. Op dezelfde campus verrees ook het Ar-Raniry Instituut voor Hogere Islamstudies, dat zich in het buitenland een grote naam verwierf. Prof. Ali Hasjmy, destijds gouverneur van Atjeh, sprak de wens uit dat hier een generatie Atjehers zou worden opgeleid die geen oorlog zou kennen en doopte de campus Darussalam, Huis van de Vrede.

Exponent van deze eerste generatie Atjehers die doorleerde in de wereldse wetenschap is gouverneur Syamsuddin. Toen hij ging studeren stond Syiah Kuala nog in de steigers, maar in de jaren zeventig werd hij er decaan van de economische faculteit. Pak Syam is van eenvoudige afkomst, hij is een devoot moslim, maar geen ulama, en bracht de jaren vijftig, toen Atjeh vocht voor een islamitische republiek, door in Jakarta. Daar studeerde hij economie, maar hij maakte carrière in Atjeh: in 1982 werd hij voorzitter van het provincale planbureau. Syamsuddin Mahmud geldt als de strateeg van Atjeh's economische ontwikkeling.

Ook de Darussalam-generatie kreeg echter te maken met oorlog. Het compromis met Jakarta kon geen genade vinden bij leden van de oude garde. Hasan di Tiro, naar eigen zeggen een nazaat in de vrouwelijke lijn van religieuze aanvoerders in de strijd tegen Nederland, vestigde zich als zakenman in de VS, waar hij in de jaren vijftig optrad als woordvoerder van de islamitische opstandelingen. Di Tiro bleef de Indonesische republiek beschouwen als een Javaanse voortzetting van het Nederlandse koloniale bewind en riep in 1976 een Vrij Atjeh uit. Rond 1980 leek zijn beweging op sterven na dood, maar in 1989 stak ze opnieuw de kop op: politieposten werden overvallen en Javaanse transmigranten vermoord.

Veel Atjehers hadden hun twijfels over de methoden van Di Tiro's mannen, maar de manier waarop Indonesische commando's jacht op hen maakten - dorpsrazzia's, standrechtelijke executies en verdwijningen - won menige Atjehse intellectueel voor hun (Di Tiro's) zaak. Tegen deze burgersympathisanten openden de militairen een tweede front. Zij werden voor de rechtbank gebracht, waar zij zonder serieuze verdediging werden veroordeeld tot lange celstraffen. Onder de 37 burgersympathisanten van Vrij Atjeh die sinds maart 1991 zijn veroordeeld, hebben er elf de doctorandustitel, zijn er drie meester in de rechten en drie doceerden in Darussalam.

Syamsuddins voorganger als gouverneur, Ibrahim Hasan, een Atjeher met goede connecties in Jakarta, was machteloos tegenover de militairen, maar bevocht de onvrede jegens "Java' op zijn eigen manier. In 1987 hielp Hasan de regeringspartij Golkar in Atjeh voor het eerst aan een absolute meerderheid, ten koste van de islamitische Eenheidspartij voor Ontwikkeling (PPP), een succes dat hij in 1992 herhaalde en dat de provincie geen windeieren legde. Het ontwikkelingsbudget van Atjeh ging de laatste jaren met sprongen omhoog. In maart werd gouverneur Ibrahim Hasan beloond met een ministerspost en moest er een opvolger komen.

Voor gouverneursverkiezingen bestaan spelregels. Maatschappelijke organisaties dragen kandidaten voor bij het streekparlement, dat een lijst opstelt van vijf gegadigden en deze naar Jakarta stuurt waar de minister van binnenlandse zaken hem inkort tot drie namen. In mei mocht het Atjehse parlement een keuze doen uit ir. Usman Hasan, prof. dr. Syamsuddin Mahmud en een assistent-gouverneur uit West-Atjeh. Die laatste was lijstversiering; de strijd ging tussen de eerste twee. In die tweekamp kwamen hoofdstad en provincie tegenover elkaar te staan en verplaatste de landelijke machtsstrijd zich kortstondig van Jakarta naar Banda Atjeh.

Usman Hasan (50) werd beschouwd als de sterkste kandidaat. Hij is een geboren Atjeher, maar bracht het grootste deel van zijn leven door in Medan, Noord-Sumatra, en in Jakarta, waar hij het vorig jaar bracht tot fractievoorzitter van Golkar in het nationale parlement en lid van het partijbestuur. Zijn medebestuurders beschouwden Hasans kandidatuur als een partijbelang en schreven in een geheime brief van 10 mei, twee dagen voor de stemming in het provinciale parlement, "te rekenen' op de collega's in Atjeh.

De provinciale pers koos zonder reserves voor Syamsuddin en suggereerde dat Golkar-Atjeh eveneens achter hem stond. Dat was meer een kwestie van druk dan van objectieve verslaggeving, maar het hielp een stemming te creëren van "Atjeh kiest Pak Syam'. In dat klimaat speelden de militairen hun eigen spel. Na een onderhoud met het hoofd sociaal-politieke zaken van de strijdkrachten, een driesterrengeneraal uit Jakarta, liet de militaire commandant van Atjeh, kolonel Rudy Supriatna, weten dat de legerfractie voor Syamsuddin zou stemmen. Voor militairen geldt immers: bevel is bevel.

Binnen Golkar gaat dat niet zo makkelijk. Een dag voor de stemming arriveerde een gezant van het hoofdbestuur in Banda Atjeh die van het provinciale partijbestuur steun eiste voor kandidaat Usman Hasan. De plaatselijke Golkar-chef, Abdoellah Moeda, weigerde. Na een uur onderhandelen achter gesloten deuren besloot Moeda zijn zin door te zetten, maar Hasans gezicht te redden. De fractie, 21 man sterk, kreeg een nauw omschreven steminstructie: 13 voor Pak Syam, 5 voor Hasan en 3 voor de derde man. En zo geschiedde.

In de meuligou gubernuran, de laat negentiende-eeuwse ambtswoning waar ooit Van Heutsz en Van Daalen resideerden, drink ik een kop thee met Syamsuddin. Dat hij de steun heeft van de militairen moet een geruststellend gevoel geven, of niet? “Jawel”, zegt Pak Syam effen, “maar vergeet u niet dat ook Golkar-Atjeh voor mij heeft gestemd. Weet u, ik beschouw mezelf meer als bestuurder dan als partijman. Als voorzitter van het planbureau heb ik alle districten van Atjeh bereisd en honderden dorpen bezocht. Vanwege al die werkbezoeken kennen de Atjehers mij en dat heeft de doorslag gegeven bij mijn verkiezing.”

    • Dirk Vlasblom