Kunst kopen is straks weer voor elite

In haar toespraak bij de opening van de gezamenlijke huisvesting van zeven Amsterdamse galeries aan de Lijnbaansgracht/Fokke Simonszstraat lichtte minister d'Ancona het besluit om de rentesubsidieregeling - waarmee geld kan worden geleend voor kunstaankopen tot een bepaald bedrag en het rijk de rente betaalt - op te heffen, aldus toe: “De huidige rentesubsidieregeling biedt galeries meer nadelen dan voordelen.”

De Galerie Bond Nederland, hierin gesteund door de Nederlandse Vereniging van Galeriehouders, verbaast zich over het wispelturig cultuurbeleid van de minister. Tot voor kort beschouwde zij de regeling nog als "paradepaardje' van de beleidsinstrumenten, omdat met relatief weinig overheidsgeld zo'n groot en positief effect werd bereikt.

De regeling werd in 1984 door WVC ingesteld, ter vervanging van de BKR. Zij was direct een succes; de belangstelling voor de aankoop van kunst groeide en kunstenaars en galeries konden - overeenkomstig het doel - dankzij de subsidieregeling de omzet verhogen. In de periode 1984-'90 werd via de rentesubsidieregeling een omzetverhoging van 57 miljoen gulden gerealiseerd. In 1990 werden bijna vijfmaal zoveel contracten afgesloten als in 1984.

Enerzijds werd dus het financiële voordeel, dat het gemak van gespreide betaling zonder rente oplevert, door de kunstkopers onderkend, anderzijds werd de doelstelling van WVC, om naast de inkomensvergroting van kunstenaars een zo groot mogelijke spreiding en afname van kunst te bereiken, waargemaakt. Belangrijk was dat vooral de kunstkoper met een kleine beurs in de gelegenheid werd gesteld kunst aan te schaffen. Via de subsidieregeling was kunst immers niet langer alleen voor een kapitaalkrachtige elite weggelegd. Een beleid, dat de PvdA altijd heeft voorgestaan. Teleurstellend is dat juist een PvdA-minister een goed werkend en marktverruimend instrument plotseling wil afschaffen omdat het te elitair zou zijn.

Met een subsidie van slechts 3 miljoen gulden per jaar kregen niet alleen de kunstenaars en de galeries een steuntje in de rug, maar ook bedrijfstakken die ermee samenhangen en min of meer van de financiële draagkracht van deze branche afhankelijk zijn. Zoals de toeleveringsbedrijven van grondstoffen en materialen, lijstenmakers, uitgevers en drukkers enz. Door het wegvallen van de regeling zullen ook hun omzetten teruglopen, en zal er minder belastinggeld door de kunstensector worden opgebracht.

In een land met een zwakke marktpositie voor de kunst wordt een goed functionerende regeling ten grave gedragen. Wij hebben geen begrip voor deze onverwachte ommezwaai in het kunstbeleid van de minister. De subsidieregeling moet blijven tot tot de Nederlandse markt op eigen benen kan staan zonder de toets met het buitenland te hoeven vrezen.

    • Antoinette de Stigter