Crossen met een vergunning op de Utrechtse Heuvelrug

UTRECHT, 27 OKT. De boseigenaars op de Utrechtse Heuvelrug zijn een campagne begonnen om het terreinfietsen in goede banen te leiden. Niet alleen planten en dieren, ook wandelaars en fietsers hebben de laatste jaren steeds meer last van mountainbikers die dwars door de bossen crossen.

De Heuvelrug met haar bultige, steile hellingen is een populair gebied voor de stoere fietser. Nu de duinen geen ruimte meer bieden is de Heuvelrug voor veel bewoners van de Randstad de eerst aangewezen plek voor een sportieve terreintocht. “In de Randstad kun je niet fietsen”, meent J. Markestein, toersecretaris van de Valleirenners in Veenendaal, “Daar zit je altijd in de wind of tot je assen in de klei.”

Ze komen uit het hele land, bevestigt voorzitter W. van Veldhuizen van de Driebergse Toerclub (DTC). Met 625 leden is zijn fietsvereniging op een na de grootste van het land. Voorheen trok DTC met haar off-the-road-koersen wel meer dan duizend deelnemers. Zondag begint het nieuwe seizoen, maar dan zullen in Driebergen slechts vijfhonderd mountainbikers mogen starten. “We moeten terug”, erkent Van Veldhuizen, “We willen over tien jaar ook nog kunnen fietsen.”

Tien jaar nadat in Nederland de mountainbike werd gelanceerd met videoclips van fietsende bergbeklimmers rijdt stad en land op een terreinfiets. Terwijl de fietsverkoop volgens de cijfers van de RAI toenam van 840.000 in 1987 naar 1.350.000 in 1990 daalde het aandeel van de traditionele stadsfiets, al of niet met versnellingen, van 75 naar 52 procent. De winst zit geheel bij de all-terrain-bike (ATB), "kaal' of in stadsuitvoering, en de hybride-variant.

Slechts een kleine minderheid waagt zich daadwerkelijk in de bossen, maar de klachten nemen duidelijk toe, zegt J. de Groot, boswachter bij Staatsbosbeheer. Om verdere aantasting van de Heuvelrug, een nationaal park in oprichting, te voorkomen zijn Staatsbosbeheer, Utrechts Landschap, Vereniging Natuurmonumenten, recreatieschap Heuvelrug en de gemeenten Zeist en Leersum vlak voor het nieuwe cross-seizoen met hun campagne begonnen.

De Groot schat dat jaarlijks op de Heuvelrug 20 tot 25 georganiseerde tochten worden gereden met een lengte van 25 tot 50 kilometer. Er zijn uitschieters bij met 1.500 deelnemers. De boseigenaars hebben nu een vergunningensysteem ingevoerd waarmee ze het aantal tochten willen beperken tot zo'n tien per jaar. In een folder zijn tracés uitgestippeld die zo min mogelijk overlast veroorzaken voor het bos en de overige gebruikers.

Met de fietsverenigingen hebben de boseigenaars nu een akkoord bereikt, maar op de autonome crossers hebben ze geen greep. Vooral bij de Grebbeberg leven zij zich uit. Hier is de Heuvelrug het grilligst; de smeltgoten van het vroegere gletsjerijs zijn ideaal om doorheen te ploegen.

Het probleem van terreinfietsen is dat het vooral spectaculair is om buiten de gebaande paden te gaan. Zo ontstaan er ook nieuwe paden, waardoor het gebied wordt versnipperd en het wild geen rust krijgt. Maar het grootste probleem is de confrontatie tussen argeloze wandelaar en fietser, volgens voorzitter Van Veldhuizen van de Driebergse Toervereniging. “Veel wandelaars verkeren in de veronderstelling dat fietsen op bospaden verboden is, terwijl de (terrein)fietser vaak toch in zijn recht staat.”

Secretaris Markestein van de Valleirenners vindt eigenlijk dat de boseigenaren “blij moeten zijn dat we die tochten organiseren. Als we dat niet doen, is de ellende niet te overzien en fietsen ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat”.

Het open karakter van de bossen is een belangrijke reden waarom de campagne op de Heuvelrug vooralsnog gericht is op vrijwillige medewerking. “We willen niet met verboden werken”, zegt De Groot. “We willen dat het gedrag verandert. Met voorlichting en zonering willen we er voor zorgen dat het goed gaat. Een proces-verbaal uitschrijven is zo'n vervelend onderdeel van ons vak. We wachten eerst eens drie jaar af of dit goed gaat.”

Het probleem speelt in heel Nederland, weet De Groot, en zelfs de Ardennen hebben er al onder te lijden. Hij denkt dat het Utrechtse initiatief nog op tijd komt. “Meestal zijn we te laat met dit soort maatregelen. Terreinrijden wordt misschien een olympische sport en dan verwachten we pas helemaal een klapper.”