"Buitenlandse investeringen stimuleren sterk produktiviteit'

GRONINGEN, 27 OKT. Het is droevig gesteld met de Duitse industrie. De produktiviteit is er dusdanig laag dat de Duitse bedrijven de afgelopen tien jaar systematisch achterop zijn geraakt bij de twee koplopers in de industriële wereld, de Verenigde Staten en Japan. De Duitse achterstand is niet zozeer te wijten aan de recessie en de hereniging, alswel aan de sterke toename van het protectionisme in de afgelopen tien jaar in het land. Buitenlandse investeringen blijken in het algemeen een belangrijke stimulans voor de produktiviteit.

Dit zijn enkele van de conclusies van het onlangs verschenen rapport van het McKinsey Global Institute, een onafhankelijk onderzoeksinstituut binnen McKinsey, over de sterke en zwakke kanten van de Duitse, Japanse en Amerikaanse industrie.

De Amerikaanse industrie blijkt over de gehele linie het produktiefst. Als de arbeidsproduktiviteit (hoeveelheid goederen die per gewerkt uur wordt geproduceerd) in de VS op 100 procent wordt gesteld, volgt de Japanse industrie met 83 procent en Duitsland met 79 procent. Japan beschikt over een aantal sectoren (de internationaal sterk concurrende auto-, staal- en consumentenelektronica-industrie) die produktiever zijn dan dezelfde bedrijfstakken in de VS, maar Duitsland heeft geen enkele industriële branche waar de produktiviteit groter is dan in de VS. Ten opzichte van Japan is alleen de Duitse voedselverwerkende industrie produktiever.

“De Duitse industrie is in de afgelopen tien jaar veel te defensief geweest”, zegt B. van Ark van het Growth and Development Centre van de Rijksuniversiteit Groningen. Van Ark leverde als econoom een intensieve bijdrage aan het McKinsey-rapport. “Een aantal jaar geleden zag je nauwelijks een Japanse auto rondrijden in Duitsland. De Duitsers wilden alleen maar Duitse produkten omdat die beter zouden zijn. Daardoor werden de bedrijven onvoldoende blootgesteld aan buitenlandse concurrentie en was er weinig druk om te vernieuwen. Daardoor ook bleven Duitse produkten duur.”

Als voorbeeld van een "slecht draaiende' sector noemt Van Ark de Duitse bierindustrie, waar de produktiviteit door de kleinschaligheid nog niet de helft bedraagt van die in Amerika. “De Duitse bierindustrie heeft de naam ambachtelijk te zijn en er zijn dan ook ruim duizend bierbrouwerijen. Terwijl technisch gesproken in een grote brouwerij exact hetzelfde bier kan worden gemaakt als in een kleine. De vraag is hoe lang de Duitse consument nog bereid is veel meer te betalen voor zijn bier dan nodig is. Dat kan nog heel lang duren, maar het probleem is intussen wel dat de produktiviteit laag is. Als je dat in veel sectoren van de industrie krijgt, heb je als land een probleem: het inkomen per hoofd van de bevolking zal hierdoor uiteindelijk dalen.”

Een van de belangrijkste conclusies van het McKinsey-rapport is, volgens Van Ark, dat handelsbeperkingen en het afsluiten van de markt voor buitenlandse investeringen een remmende werking hebben op de arbeidsproduktiviteit. Immers, de concurrentie neemt af en dus de motivatie om te vernieuwen en meer en beter te produceren. Hij is van mening dat de recessie in Duitsland de politici in Bonn eindelijk heeft wakker geschud, getuige de oproep van kanselier Kohl vorige week aan de bevolking om van het land geen “collectief recreatiepark” te maken.

De Groningse onderzoeker kan slechts één voorbeeld noemen van tijdelijk protectionisme dat mogelijk een positieve uitwerking heeft gehad: alleen bij de beperking van de import van Japanse auto's naar de VS bestaan er aanwijzingen dat die maatregel de Amerikaanse auto-industrie wat lucht heeft gegeven om orde op zaken te stellen. Zonder dat had Chrysler waarschijnlijk zijn poorten wel kunnen sluiten, aldus Van Ark. Daarbij moet worden aangetekend dat de Amerikanen wel Japanse investeringen in de autobranche toelieten, in de vorm van joint ventures met Amerikaanse bedrijven en Japanse vestigingen in de VS. Dank zij het binnenhalen van die investeringen en daarmee de meest geavanceerde technieken, gaat het langzaam beter met de Amerikaanse auto-industrie, meent Van Ark. Bovendien leiden buitenlandse investeringen veel sneller tot nieuwe banen dan het “moeizaam trachten om achter hoge tariefmuren te komen tot betere prestaties”.

Nederland, dat overigens niet voorkomt in het McKinsey-rapport, is een zeer produktief land, zo blijkt uit eigen onderzoek van Van Ark. De produktiviteit ligt ongeveer vijf procent hoger dan in de VS. Ook ten opzichte van de omringende landen doet Nederland het goed: Duitsland, Engeland en Frankrijk halen respectievelijk 80, 60 en 90 procent van de produktiviteit hier. “Het grote verschil met Duitsland is”, zegt Van Ark, “dat Nederland een klein land is en dan heb je bijna per definitie een open economie. Die zeer produktieve economie heeft echter wel een keerzijde, namelijk een lage arbeidsparticipatie. Als meer mensen mee gaan doen aan het arbeidsproces, zoals de politiek nastreeft, kan dat leiden tot lagere produktiviteit, tenzij Nederland zijn sterke positie op de internationale markt uitbuit. Want de beste manier voor de industrie om te overleven is, volgens Van Ark, de "sprong vooruit': door de grenzen te openen voor import en buitenlandse investeringen en door zelf te investeren in het buitenland. “Niet de grens sluiten voor staal uit Oost-Europa onder het mom dat ze daar zo vies en zo goedkoop produceren, maar geld steken in die sector daar, zodat je je leidende technologische positie behoudt en nieuwe afzetmarkten aanboort. Te eng denken in termen van nationale grenzen is zeker in deze tijd van recessie gevaarlijk.”

Van Ark noemt de afweging tussen protectionisme en werkloosheid een “schijnafweging, want met minder protectionisme en dus meer produktiviteit haal je op den duur meer banen binnen”. Hij is het dan ook oneens met professor Van der Zwan die vorige week in zijn oratie als hoogleraar in de ontwikkeling van de verzorgingsstaat aan de Rijksuniversiteit Utrecht pleitte voor tijdelijk protectionisme in Europa om tot "herschikkingen' in de internationale handel te komen. “Ik kan wel honderd ogenschijnlijk legitieme redenen bedenken voor protectionisme in een tijd waarin de werkloosheid in hoog tempo oploopt. Maar op den duur is protectionisme ronduit slecht, omdat de industrie de stok achter de deur gaat missen om vooruit te komen. En het grote risico van "tijdelijk protectionisme' is dat je er nooit meer vanaf komt.”

    • Friederike de Raat