Angstaanjagende Mexicaanse goden van steen in Brussel

De Arend en de Zon; tot 19/12 in Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10, Brussel. Geopend: di. t/m zo. 10-17.45, wo. tot 19.45. Maya-metropolen; tot 24/12, Jubelpark, Brussel. Geopend: di. t/m zo. 10-17 uur, wo. tot 22 uur.

BRUSSEL, 27 OKT. De kunstmanifestatie Europalia staat voor overvloed. Om de twee jaar mag steeds een ander land zo uitbundig pronken met zijn cultureel erfgoed dat een ieder in bezit van een programmaboekje het gevoel krijgt hoe dan ook in tijd en energie tekort te schieten. De manifestatie speelt zich af in België, als zetel van de Europese Gemeenschap die een derde van de kosten voor zijn rekening neemt. Nu de meeste Europese naties aan de beurt zijn geweest, uitgezonderd de ex-communistische landen in Midden- en Oost-Europa die het geld en de organisatorische middelen ontberen, wijkt men uit naar andere continenten, naar Japan bijvoorbeeld in 1989, en nu naar Mexico, dat niet alleen in België maar ook over de grens, in Nederland en Frankrijk aan de weg mag timmeren.

De hoofdtentoonstellingen van Europalia zijn traditioneel te vinden in de Brusselse musea. De Arend en de Zon in het Paleis voor Schone Kunsten biedt in vogelvlucht zo'n drieduizend jaar Mexicaanse kunstgeschiedenis: van de Olmeken, de zogenaamde moedercultuur waarin men zo'n 1.500 jaar voor onze jaartelling vooral steen bewerkte, via de delicate aardewerk-portretten van de Maya's en de weelderige schilder- en beeldhouwkunst van de barok naar de 20ste-eeuwse doeken vol sociaal engagement van Diego Rivera en José Clemente Orozco.

De andere hoofdtentoonstelling in Brussel, Maya-Metropolen in de Koninklijke musea voor Kunst en Geschiedenis, legt in de vorm van hoogwaardige presentaties rondom afzonderlijke, archeologische Maya-centra, steeds accenten op de specifieke vondsten en kunstnijverheid daar. Zo maakte men ooit in Jaina schitterende miniaturen van gebochelden en zinnelijke vrouwtjes. Uit Comalcalco komt een reusachtige bloempot waaronder een skelet ligt uitgestald, en in Calakmul zijn de nu als juwelen geëtaleerde mozaiek-maskers van groene steen, obsidiaan en schelp aangetroffen, zo verfijnd dat ze de bloeddorstige en oorlogszuchtige reputatie van de Maya's, die niet onderdoet voor die van de Azteken, doen vergeten.

In tegenstelling tot deze meer wetenschappelijk benaderde Maya-Metropolen en tot eerdere Brusselse overzichten van de Azteekse en Inca-cultuur, laat De Arend en de Zon, de kerntentoonstelling, weinig spaarzaam verlichte sier- en gebruiksvoorwerpen zien. Hier domineren de tonnenzware, ooit beschilderde stenen godenbeelden en tempelreliëfs. Architectonische ornamenten meestal, die onbeschermd in de ruimte of op sokkels staan opgesteld. Zelden zal men zo'n diversiteit in een Westers museum aantreffen. Bij de ingang al rijst een gigantische gehelmde Olmekenkop op. Een geïdealiseerde leiderfiguur, een rechter en veldheer, met dikke neus en lippen en Mongoolse ogen. Het begrip "genade' moet hem vreemd geweest zijn.

Halverwege het tentoonstellingstraject, dat met zijn schuin aflopende, zandkleurige wanden flets aandoet, is de grootste zaal als een uitdragerij volgestouwd met latere labyrinthische reliëfs en ondoorgrondelijke beeldhouwwerken, vervaardigd door Zapoteken, Totonaken, Tolteken, Huaxteken, Maya's en Mixteken, culturen die zich verspreid over het Mexicaanse hoog- en laagland, van kustvlakte tot regenwoud, hebben gemanifesteerd. Kijk, hier ligt de goddelijke "gevederde slang', een giftige muil in de vorm van een stenen kolos. En daarginds steunt de hier enigszins bekende, Chacmool, een gestileerde, achteroverliggende stenen figuur, op wiens buik als offerande een schaal of ander voorwerp rustte, desnoods gevuld met dampende menseharten. Maar net zo vaak roepen vaandeldragers, wrede godinnen en grijnzende krijgers om meer toelichting, die het museum helaas alleen in de catalogus wenst te geven.

Tot de 16de eeuw zou Mexico, uitgezonderd aan de kust bij de Stille Oceaan, grote en kleinere ceremoniële metropolen kennen, waar honderden goden als personificaties van regen, bliksem, water, vuur, vruchtbaarheid en wat dies meer zij in piramide-vormige tempelcomplexen werden vereerd. Paleizen verrezen er voor locale heersers, priesters en latere krijgers. Met een akelige nauwkeurigheid kon aan de hand van maan- en sterrenstanden de tijd worden berekend. Nimmer werd er het wiel uitgevonden, maar een schrift vol logogrammen is nu pas volledig ontcijferd.

Op speciale terreinen beoefenden de indianen een kaatsbalspel dat meestal eindigde met het offeren of onthoofden van de verliezers. Want voor de continuïteit van leven en heelal, voor een paradijselijk bestaan na de dood, moesten op speciale dagen, bij speciale evenementen de goden gunstig worden gestemd. Behalve sportlieden moesten ook krijgsgevangenen, slaven en kinderen de offerdood sterven. Verbijsterend om te lezen dat de inhuldiging van de grote tempel van Tenochtitlan, nu Mexico-stad, in de 16de eeuw nog tachtigduizend mensenoffers kostte. Net zo verbijsterend zijn de beelden van priesters die zich in de afgestroopte huid van een levend gevild medemens hulden. De flarden vel, van klei weliswaar, hangen er aan de sculpturen nog plastisch bij.

De Meso-Amerikaanse culturen kwamen op en gingen onder. Ze liepen soms synchroon, soms niet, ze beïnvloedden en overlapten elkaar of verdwenen voor eeuwenlang van het schouwtoneel, zoals het de Maya's verging die van 250 tot 900 in het zuidoosten van Mexico heer en meester waren, om na opeenvolgende oorlogen hun macht af te staan aan de krijgszuchtiger Tolteken. Dit volk nam de bestuurlijke organisatie strak ter hand door stedelijke centra in stadstaten onder te brengen. In Yucatan zouden de Maya's nog een latere bloeitijd kennen, waarvan een grimmig heerschap in de vorm een wierookvat - nu in Brussel - getuige is geweest. Niet meer dan één procent van het totale Maya-patrominium zou trouwens het voortwoekerende woud en de eeuwen doorstaan.

In het kielzog van de Spaanse veroveraar Hernán Cortés, die in 1521 Mexico aan zich onderwierp, hebben zich onder meer de flamenco's, Vlaamse en Hollandse avonturiers, handelaren, kunstenaars en geestelijken, ingezet voor de onderwerping, de uitbuiting en de kerstening van de Mexicaanse barbaren in Nieuw-Spanje. Hoewel enkele traditionele werkwijzen, zoals het maken van figuren uit maispasta, bewaard bleven - het bewijs is gekruisigde Christus -, tekent de ommekeer naar een Europese, religieus getinte schilder- en beeldhouwkunst, gepropageerd via kloosters, zich scherp af. Alles draait op deze kerntentoonstelling plotsklaps om de maagd Maria, het kindeke Jezus en de gekruisigde Christus - Westers, academisch en devoot afgebeeld. Een enkele naturalistische, bloederige 17de-eeuwse schildering van een overval op een missiepost onthult dat de indianen zich niet zomaar gewonnen hadden gegeven. Een mysterieus glinsterend drieluik, bedekt met beschilderd paarlemoer, heeft eveneens nog iets triomfantelijks Mexicaans in zich. En het beeld van de gegeselde Christus, waarmee de bezoeker plotseling oog in oog staat, is zo overvloedig toegetakeld met wonden en bloedrode verfstriemen, dat het eerder aan het traditionele Maya-mensenoffer dan aan het bijbelverhaal doet denken.

Dankzij het neo-classicisme konden de Mexicaanse schilders in de negentiende eeuw nog eens opscheppen over de grootse precolumbiaanse beschavingen van weleer, toen gevederde, half-goddelijke koningen, tronend aan de voet van metershoge steenkolossen, vanuit het regenwoud de hemel en de aarde dachten te bestieren. Maar deze veredelde schoolplaten staan ondanks het kunstige schilderwerk in geen verhouding tot de tastbare mythische overblijfselen - dat zinnelijke, vooral wrede en angstaanjagende godendom in steen en klei.