VNO propageert regressie van milieubeleid

VNO-voorzitter Rinnooy Kan stelde op de opiniepagina van 19 oktober dat het met de milieuhygiënische normstelling van de overheid soms droevig is gesteld. Ten onrechte verzekert nu minister H. Alders van VROM. Om tot verantwoorde normen te komen is juist gekozen voor goed doelgroepenoverleg. Dat het VNO dit ter discussie stelt en blijkbaar terug wil naar de oude situatie is betreurenswaardig.

"Te strenge normen schaden acceptatie milieubeleid', zo luidde de kop boven het artikel van VNO-voorzitter A.H.G. Rinnooy Kan. Aan de vooravond van de begrotingsbehandeling van VROM en het verschijnen van het Nationale Milieubeleidsplan-2 (NMP-2) een opmerkelijk signaal. Rinnooy Kan stelt dat veel milieunormen zonder oog voor de gevolgen tot stand zijn gekomen en dat er daarom betere spelregels moeten komen. Ontwerpnormen zouden eerst aan externe deskundigen moeten worden voorgelegd, vooral om de praktische gevolgen beter in kaart te brengen.

De overheid heeft in het NMP en NMP-plus ambitieuze doelstellingen voor het milieubeleid vastgelegd. Doelstellingen waar wij ons maatschappelijk achter hebben gesteld. Uitgangspunt daarbij is om in één generatie een duurzame samenleving te bereiken. Deze uitdagende NMP-doelstellingen kunnen alleen gerealiseerd worden als we allen onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Dus niet alleen door regulering door de overheid, maar ook door structurele gedragsveranderingen bij de zogeheten doelgroepen, zoals de industrie en de landbouw.

We beseffen allemaal dat duurzaam produceren en consumeren een vergaande wijziging van bestaande structuren betekent. Het kan niet anders dan dat dit pijn doet. Juist daarom is gekozen voor de vorm van het "doelgroepen-overleg'. Zodat overheid en doelgroepen in wederzijds overleg inzicht krijgen en houden in elkaars problemen en zo mogelijk de knelpunten kunnen oplossen. De diverse doelgroepen verwachten van de overheid dat zij met duidelijke doelstellingen komt en zekerheid geeft over het beleid op langere termijn. Dat was en is mijn inzet in het doelgroepenoverleg. Maar andersom verwacht ik van de doelgroepen dat zij op eigen initiatief uitvoering geven aan een werkelijk op preventie gericht milieubeleid.

In dit licht is de kritiek van het VNO opmerkelijk en betreurenswaardig. Vraagtekens zetten bij de wijze waarop VROM uitvoering geeft aan het NMP is een vraagteken zetten bij het functioneren van het doelgroepenoverleg. Zijn de milieunormen te streng en te weinig door deskundigen getoetst? Rinnooy Kan somt een aantal VROM-standpunten op over beleid in voorbereiding, waarop in sommige gevallen na advisering en inspraak bijstelling volgde. Is het inderdaad betreurenswaardig als de overheid inspraak en advisering dusdanig serieus neemt dat het soms tot bijstelling van voorgenomen beleid kan leiden? Bij alle door VNO genoemde onderwerpen is sprake van een zorgvuldige procedure waarbij zowel het bedrijfsleven als de relevante adviesorganen zijn betrokken. Enkele voorbeelden.

Rinnooy Kan rekent voor dat Nederland 0.7 procent bijdraagt aan de wereldwijde uitstoot van kooldioxide (CO). Door het in dit licht te zetten suggereert hij dat de Nederlandse inspanningen slechts tot een verlaging van fracties van promillen leidt. Zo'n vorm van ridiculiseren van het milieubeleid hebben we reeds eerder mee mogen maken. In de jaren zeventig deden onwillige bedrijven hetzelfde met maatregelen om de fosfaatlozingen te beperken.

Wat vervolgens het asfalt betreft, wil VNO juist sneller komen tot normstelling. Uit welk oogpunt? Op verzoek van het bedrijfsleven is teerhoudend afval in het Bouwstoffenbesluit uitgezonderd, om zo een aantal grootschalige vormen van hergebruik mogelijk te laten blijven. Het gaat hier om materiaal dat hergebruikt kàn worden. Toch gaan de marktpartijen hier niet toe over, omdat ze eerst van het Rijk willen weten welke normen in de toekomst zullen worden gevraagd. Moet de overheid dan nu ineens normen uit de mouw schudden? Terwijl een onderzoek hiernaar over een jaar beschikbaar zal zijn, zodat een ministeriële Regeling tot stand kan komen? Men vroeg toch om zorgvuldigheid!

Het derde voorbeeld gaat over radioactiviteit. Iedere Nederlander ontvangt jaarlijks gemiddeld een dosis van 2 milliSievert (mSv), als gevolg van natuurlijke achtergrondstraling en medische handelingen. Volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten betekent dit dat per jaar ongeveer 750 Nederlanders sterven aan kanker als gevolg van deze "natuurlijke' dosis. Reden genoeg voor de overheid om tot normering te komen als het gaat om toevoegingen aan deze natuurlijke achtergrond door industriële activiteiten. In het Nederlandse stralenbeschermingsbeleid geldt als norm per activiteit (bron) 0,04 mSv. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat mensen aan 10 bronnen tegelijk kunnen zijn blootgesteld; ze lopen in dat geval onvrijwillig een extra dosis van 0,4 mSv op. Daarbij gaat het niet om 2 procent van dat wat onvermijdelijk toch al tot ons komt, zoals het VNO stelt, maar om 20 procent. Het VNO meent dat dit beleid bizarre consequenties heeft. Hier is sprake van mystificatie. In Brussel bestaan plannen om de vergunningplichtige grens fors aan te scherpen. Deze grens geeft aan wanneer een stof als radioactief afval moet worden beschouwd. Het is het VNO meer dan bekend dat ook VROM deze aanscherping onzinnig vindt en in Brussel actief optreedt tegen dit voornemen.

Vierde voorbeeld: Dat de normstelling voor externe veiligheid in de ogen van het VNO het moet ontgelden heb ik al eerder gemerkt. Bij externe veiligheid gaat het om de bescherming van mensen, die in de buurt wonen van potentieel gevaarlijke activiteiten, en om het voorkómen van ongevallen en rampen. Er bestaan normen die aangeven welk niveau van veiligheid voor ieder individu aanvaardbaar wordt geacht. Ook beschikt de overheid over een afwegingsinstrument om na te gaan of de kans op het optreden van zo'n ramp voldoende is beperkt, het zogeheten groepsrisico. In de afgelopen jaren is gebleken dat de tachtig grote chemische bedrijven in Nederland vrijwel zonder uitzondering aan de normen voor externe veiligheid voldoen. Zo onrealistisch is de normstelling dus niet.

Is VROM gezien bovenstaande voorbeelden onzorgvuldig bezig met de normstelling? Ik meen dat uit de gegeven voorbeelden en de praktijk het tegendeel blijkt. Er is in ons land geen wettelijke norm die niet een uitgebreide advies- en inspraakprocedure doorloopt. Het bedrijfsleven is nauw betrokken bij het opstellen van basisgegevens voor milieukwaliteitsnormen. Zij leveren gegevens aan en becommentariëren de hiervoor op te stellen basisdocumenten. Alle technisch-wetenschappelijke onderbouwing van milieu-kwaliteitsnormen wordt wetenschappelijk getoetst, meestal door de Gezondheidsraad. Indien relevant wordt er getoetst door de Technische Commissie Bodembescherming (TCB). De adviezen van deze organen worden altijd door het beleid verwerkt. Vervolgens wordt een concept-beleidsstandpunt geformuleerd, voorgelegd aan alle betrokken doelgroepen en aan de Tweede Kamer. Waarbij het mijn ervaring is dat de doelgroeporganisaties niet schromen rechtstreeks hun mening aan de Tweede Kamer kenbaar te maken. En als milieunormen in algemene maatregelen van bestuur worden vastgelegd, volgen nogmaals de voorgeschreven openbare inspraakprocedures.

Die spelregels zijn tijdrovend, maar zorgvuldig. Soms leiden deze advies- en inspraakprocedures tot bijstelling. Is dat pijnlijk? Voor VROM niet. Het is onderdeel van zorgvuldige besluitvorming en daar kan niet de pijn voor het VNO zitten. Meer in strijd met zorgvuldige besluitvorming is dat het bedrijfsleven grote aantallen stoffen in het milieu brengt, zonder gegevens te kunnen overleggen waarmee de overheid kan beoordelen of dit acceptabel is. Vaak is het vervolgens de overheid, die met man en macht voor de meest in het oog lopende stoffen moet aantonen dat er problemen zijn en hoe die hanteerbaar zijn te maken.

Bijstelling van voorgenomen milieunormen is daarom vermoedelijk niet het echte punt van kritiek, maar het feit dat de overheid met een conceptstandpunt naar buiten komt dat nog niet met een ieder is afgestemd.

Hier ontstaat de vraag naar de kip en het ei. Wil VNO nu wel of niet dat de overheid met een concept-standpunt naar buiten komt waarop inspraak en advisering kan plaatsvinden? Of zou VNO het liefst willen dat inspraak en advisering in eerste instantie alleen door hen mag gebeuren? Als de overheid normen gaat ontwikkelen, heeft zij nu eenmaal de verantwoordelijkheid eerst met een concept-beleidsstandpunt te komen. Hiermee kan de discussie op gang komen en voorkomen wij dat beleid teveel in kleine kamertjes tot stand komt, zonder op de praktijk toegesneden te zijn. De laatste jaren wordt in toenemende mate in eerste instantie gediscussieerd en afgestemd in het doelgroepoverleg.

VROM heeft er bewust voor gekozen de uitvoering van het NMP samen met de maatschappelijk betrokken groeperingen vorm te geven. Niet alleen om zo draagvlak voor het milieubeleid te realiseren. Maar ook om slagvaardig op knelpunten te kunnen reageren, nodig wegens de dynamiek van het vereiste veranderingsproces. Het pleidooi van het VNO zo bezien werkelijk een stap terug. Het is van tweeën één. Of we benutten beiden het doelgroepenoverleg waar het voor bedoeld is, of we gaan terug naar de periode waarin de voormalige Centrale Raad voor de Milieuhygiëne (CRMH) via haar adviezen verantwoordelijk was voor de maatschappelijke inbreng. Ik kies voor het eerste.

    • Ruimtelijke Ordening
    • Hans Alders