"Stelsel van universitaire visitaties moet op de helling'

AMSTERDAM, 26 OKT. Universiteiten hebben wel baat bij commissies die de kwaliteit van hun onderwijs en onderzoek toetsen, maar de samenleving heeft er niet veel aan. En dat terwijl die commissies juist zijn opgezet om de universiteiten verantwoording te laten afleggen over de manier waarop ze overheidsgeld besteden. Het huidige systeem zou dan ook beter vervangen kunnen worden door een internationaal systeem van keurmerken. Dan weten studenten, ouders en het bedrijfsleven beter waar ze aan toe zijn.

Dit vindt prof.dr. F.A. van Vught, directeur van het Centrum voor studies van hoger-onderwijsbeleid (CSHOB) van de Universiteit Twente. Het CSHOB hield gisteren en vandaag in Amsterdam een internationale conferentie over kwaliteitszorg in het hoger onderwijs.

In de openingslezing van het congres zei Van Vught gisteren dat een belangrijke politieke drijfveer voor de groeiende aandacht voor universitaire kwaliteit de opkomst was van conservatieve regeringen in de jaren tachtig. Hun houding van value for money betekende het einde van de vrijblijvende financiering van het hoger onderwijs. De universiteiten moesten een landelijk kwaliteitsbewakingssysteem opzetten. Sinds 1988 wordt in Nederland onder auspiciën van de vereniging van universiteiten VSNU het universitaire onderwijs periodiek doorgelicht door commissies van onafhankelijke vakgenoten. Vorige week begon de VSNU een visitatiesysteem voor het wetenschappelijk onderzoek.

Wat vind u van het idee van staatssecretaris Cohen (hoger onderwijs) om die twee visitatierondes te combineren?

Van Vught: “Ik vind dat je niet met één systeem zou moeten werken, dus ik vind het niet zo'n goed idee. Hoe meer systemen hoe beter.

Waarom?

“In het systeem van de visitatiecommissies wordt niet gewerkt met duidelijke, van te voren vastgelegde maatstaven. Er wordt alleen een vaste procedure gevolgd, de inhoud wordt bepaald door de onafhankelijke commissie. Daardoor is er veel verschil tussen de rapporten en zijn ze voor de buitenwereld, voor consumenten, niet goed bruikbaar. Het systeem van de visitatie-commissies is eigenlijk niet af. Het proces zelf is prima: het principe van de zelfevaluatie die de vakgroepen moeten leveren en het peer review door een commissie van vakgenoten. En de aandacht voor kwaliteit van het onderwijs is er sterk door toegenomen. Maar de maatstaven vooraf en de bruikbaarheid achteraf zijn niet duidelijk. Dat kàn ook niet, want het is nu nog het enige systeem. Als je daar maatstaven voor wil vaststellen, worden de betrokkenen het er nooit over eens. Er bestaat nu eenmaal niet één definitie van kwaliteit, dus kan er ook niet één duidelijk systeem bestaan. Je voelt vaak wel áán wat kwaliteit is, maar onder woorden brengen lukt niet. Zie het boek Zen and the art of motorcycle maintenance. Dat gaat over iemand die "kwaliteit' wel onder woorden wil brengen. Die wordt gek.”

Hoe zou het dan moeten?

“Mijn ideaal is dat er in Europa een stuk of twintig accreditatiesystemen zouden komen, systemen van waarmerken. Binnen één land zou zoiets onbetaalbaar zijn. De universiteiten kunnen dan zelf bepalen aan welke systemen ze zich onderwerpen. Het verschil met het huidige systeem is dat die accreditaties duidelijke criteria vooraf hebben. Als de universiteiten eraan voldoen krijgen ze een waarmerk. Dat is veel bruikbaarder voor de studenten dan de visitatierapporten. Aan de hand van de verschillende waarmerken kunnen de consumenten hun keuze bepalen. De ene opleiding heeft dan bijvoorbeeld een accreditatie die vooral de nadruk legt op studeerbaarheid, onder auspiciën van studentenbonden, maar de ander heeft weer een accreditatie van de werkgevers, die veel meer de mogelijkheden voor het bedrijfsleven beklemtoont, enzovoorts. Het accreditatie-onderzoek zelf zal verder ongeveer op dezelfde manier als nu gebeuren: met zelfevaluaties en een visitatiecommissie, alleen dan met duidelijk criteria vooraf. Door de verschillen in accreditatie kunnen de universiteiten zich onderscheiden, ze kiezen het waarmerk dat het beste bij hen past. De rol van de overheid is dat zij de universiteiten die zij financiert moet verplichten zich ten minste aan een aantal van dergelijke onderzoeken te onderwerpen. En zij moet natuurlijk minimumeisen aan die accreditatiesystemen stellen.”

Op welke termijn kan zo'n systeem er komen?

“Binnen een paar jaar kan het begin er zijn. Het lijkt erop dat de Europese vereniging van rectores magnifici zoiets aan het maken is voor goed bestuur en beheer. De erkenning van opleidingen door de internationale vereniging van ingenieurs kan ook tot zo'n accreditatie worden uitgebouwd. Bij medicijnen en rechten zijn er ook al aanzetten te vinden. De Europese Commissie zou die pluriformiteit moeten stimuleren, in plaats van te streven naar één centraal Europees systeem.”

    • Hendrik Spiering