Plannen voor beperkte Nederlands-Belgische "competitie'; Twijfels over korfbalprimeur

DORDRECHT, 26 OKT. De korfbalwereld is, als het op sportieve prestaties aankomt, niet groter dan Nederland en België. De missiewerkzaamheden van de bonden uit de buurlanden hebben er weliswaar toe geleid dat inmiddels circa dertig landen zijn aangesloten bij de International Korfball Federation, de enige wedstrijden die er in international verband toe doen zijn die tussen Nederland en België. Op clubniveau is dat niet anders.

Dergelijke ontmoetingen worden door de fans in beide landen al gauw echte "thrillers' genoemd. Vreemd is dat niet: de onderlinge duels worden altijd op het scherp van de snede gespeeld en vaak beslissen de laatste seconden pas over winst en verlies. Toch staan er jaarlijks slechts een paar officiële wedstrijden tussen teams uit Nederland en België op het programma. Als het aan voorzitter Johan de Jong van hoofdklasser DKOD ligt, komt daar verandering in. Misschien zelfs al in het komende zaalseizoen.

De Jong heeft een plan bedacht voor een zaaltoernooi tussen vier Nederlandse en vier Belgische topclubs, dat zou moeten worden gehouden naast de wedstrijden voor de reguliere zaalcompetitie in beide landen. Volgens het plan worden de acht clubs onderverdeeld in twee groepen, elk bestaande uit twee Nederlandse en twee Belgische verenigingen. In beide groepen wordt op doordeweekse dagen een volledige competitie afgewerkt, waarna in een slotweekeind de teams die in beide poules op dezelfde positie zijn geëindigd, een beslissingsduel spelen voor de overall eindklassering.

De Jong meent dat de korfbalsport “alleen maar zal profiteren” van een dergelijk toernooi. “Voor de deelnemende clubs en spelers betekent het extra mogelijkheden om op een hoog en internationaal niveau te spelen en ervaring op te doen. Daarnaast zal het de sport meer publiciteit bezorgen.”

Toch zijn de reacties in met name eigen land niet onverdeeld positief. Waar De Jong in België bijvoorbeeld geen problemen ondervond bij het vinden van vier clubs (de top vier van de zaalcompetitie van vorig seizoen), heeft hij in Nederland moeite om naast PKC, AKC en zijn eigen DKOD het kwartet vol te krijgen. Nadat eerst Oost Arnhem het liet afweten, haakte ook Deetos af. De Jong vermoedt dat een al overvolle wedstrijdkalender voor beide clubs de voornaamste reden is. En waar de Belgische bond meteen enthousiast was, reageerde het Koninklijk Nederlands Korfbal Verbond aanvankelijk uiterst terughoudend op de plannen.

Het KNKV nam het De Jong vooral kwalijk dat het zijn plannen moest vernemen via de media, terwijl de beoogde clubs in Nederland en België al waren benaderd. Nu dat is rechtgetrokken en het KNKV bij de besprekingen over het toernooi tussen De Jong en de clubs als "toehoorder' aanwezig is, laat de bond minder kritische geluiden horen. Leo Schnabel, lid van het hoofdbestuur van het KNKV en hoofdcommissaris wedstrijdzaken, denkt zelfs dat “een dergelijk toernooi tot iets aardigs zou kunnen uitgroeien en de belangstelling van met name de media voor de korfbalsport kan vergroten. Maar wat als bijvoorbeeld blijkt dat die belangstelling zich voornamelijk op het toernooi gaat concentreren? En de reguliere competitie daarvan de dupe wordt? En naar wie gaan de inkomsten die voor een televisieverslag van het toernooi worden betaald? Over dat soort zaken moeten goede afspraken worden gemaakt.”

En dat, weet De Jong inmiddels ook, neemt tijd in beslag. Daardoor zal het toernooi niet zoals hij eerst had gepland op 30 oktober van start gaan. En al evenmin op 30 november, de tweede streefdatum. Vanavond denkt hij te weten of het er dit komende zaalseizoen nog van zal komen: dan moet er niet alleen duidelijkheid zijn over organisatiekwesties (het is bijvoorbeeld de vraag of er op zo korte termijn nog wel zalen beschikbaar zijn), maar ook over de financiële kant van de zaak. En of de sponsors die “positieve geluiden” hebben laten horen, definitief over de brug willen komen. Sponsors die niet alleen moeten bijdragen aan de financiering van het toernooi, maar eveneens voor het beoogde prijzengeld moeten zorgen. Dat laatste zou, als het toernooi er daadwerkelijk komt - volgens De Jong “sowieso volgend seizoen” - voor een primeur in de korfbalwereld zorgen: het betekent een eerste, voorzichtige stap richting semi-professionalisering van de sport.