Lukraak ingekochte transfercollectie

BONN, 26 OKT. Zoals Feyenoord zijn "Hand in hand kameraden' heeft, heeft de FC Schalke 04 in de Kohlenpott, de Pütt van het oude industriële Roergebied, een clublied dat de bijzondere, sportief-psychologische band met de aanhang bezingt: Blau und weiss wie liebe ich Dich, blau und weiss, verlass mich nicht.

Helaas komen de Feyenoord-spelers tegenwoordig niet meer zó vaak zelf uit Rotterdam en beleven ze in hun spel vooral de stoere lading van hun clublied. En zo is Schalkes team momenteel een duur, vlak spelend en nogal onpersoonlijk vreemdelingenlegioen. Een mens hoort zo'n damespiep omhoog, als die van de reclame van Randstad: Schalkes uitzendbureau-hó. Als het ware dan, je voelt dat je het nog maar moet afwachten. Schalke vandaag: een onbezielde, lukraak ingekochte transfercollectie die in weinig herinnert aan de dagen dat de (klein)kinderen van Poolse immigranten in het Roergebied het beste voetbal van Duitsland (zes nationale titels) speelden.

Dat waren bijvoorbeeld de dagen dat kanselier Konrad Adenauer en Bundestrainer Sepp Herberger namens hun onbeminde Bondsrepubliek min of meer lotgenoten waren, Kurt Schumachers SPD nog lang geen “Toscane-fractie” maar slechts Kanalarbeiter kende en Schalke de Kumpel in zijn Revier eenmaal per week “een vlucht uit de realiteit” bood, zoals de SPD'er Norbert Seitz het in zijn aardige Kohl & Maradonna (*) schrijft. Zoals de uit Essen afkomstige Otto Rehhagel, de huidige trainer van Werder Bremen, zich zijn vroege na-oorlogse jeugd herinnert: “De enige uitweg was voetbal. Op straat, voor je naar school ging en erna - en als gekken”.

De dagen dus toen dat gebied van de Rote Erde nog niet verstandig van kolen en staal naar modern-schone dienstverlening en verantwoorde milieu-industrie was overgestapt, en de spelers nog Sawitzki, Cieslarczyk, Koslowski, Tilkowski, Juskowiak of Szymaniak heetten. Of, nog wat langer geleden (voor de oorlog), de “Knappen” Szepan en Kuzorra - cracks uit de jaren dertig, voetbalgoden die voor een paar mark de amateurbepalingen overtraden en Schalke daarmee destijds al aan een flink schandaal hielpen. Namen als, zeg, Lenstra voor Friezen, Wilkes en Moulijn voor Rotterdammers, de Harder voor Hagenaars (de man die na een Haags schandaal Bèrtúús in Bordeaux werd). En J.C. Cruijff later, en die niet alleen voor Amsterdammers buiten de Wibautstraat.

De affaire-Eichberg, wat die onder alle branche-poenigheid uiteindelijk ook moge inhouden, is niets nieuws. Immers: Schalke - de enige club waarvan de paus zich, tijdens een bezoek aan Duitsland, lid liet maken - is al bijna 90 jaar een club van bijzondere schandalen en hoogtepunten. En tegelijkertijd voor zijn aanhangers zoiets als een prachtig-profane religie. Wat is een eventueel financieel schandaal als het huidige nu in vergelijking met de zelfmoorden van Schalke-bestuurders als de vooroorlogse penningmeester Willi Nier, die werd betrapt nadat hij de Szepans en Kuzorra's in de jaren dertig 50 mark per wedstrijd had betaald. Wat is het in vergelijking met de na-oorlogse voorzitter Möritz en penningmeester Radecke die Niers voorbeeld volgden toen de boekhouding van de club niet bleek te kloppen? En wat is een in de media onthuld financieel schandaal vergeleken met het afspelen van een geluidsband op een druk bezocht tuinfeest, zoals de voorzitter van Arminia Bielefeld in 1971 deed, zodat ieder kon horen hoe hij een paar maanden ervoor met de FC Schalke een zege van zijn in degradatienood verkerende club “afgesproken” had?

Schalke's aanhangers komen niet alleen uit Gelsenkirchen maar uit heel Duitsland. Blauwwitte sjaals hangen uit de auto's op de Autobahn als het legioen aanreist uit Frankfurt, Bonn, Kassel, Aken, Osnabrück en al die andere steden die aan de nummerborden te onderscheiden zijn. Op menige zaterdag staat de Kölner Ring vaak eerder vol met “verre” supporters van Schalke dan van de plaatselijke FC. Zo ook zaterdag twee weken geleden, toen die fans in het Ulrich Haberland-stadion van de zeer geminachte bedrijfsclub Bayer Leverkusen, vaak hijgend en te laat van verre parkeerplaatsen aangekomen, ondanks een ernstige afstraffing met 5-1 tot het laatste ogenblik deel van de gebeurtenis wilden blijven.

Bijvoorbeeld om, zoals op de tribune werd gezegd, het eenzaam pogen van Jan Mulders blonde kind Youri in Schalkes spits te prijzen: “dieser Scheissholländer arbeitet wenigstens für sein Geld”. Of de arme keeper van Schalke wegens driemaal verwijtbaar geacht doorlaten zo massaal uit te fluiten dat de man niet alleen moest worden gewisseld, maar in de rust ook maar besloot om alvast naar huis te vluchten. Hemelhoog juichen of - tegenwoordig vaker - dodelijke droefenis, eenmaal per week, dat is Schalke 04. De club staat onderaan en wordt weer eens - als na het omkopingsschandaal van 1971 - door de ondergang bedreigd. Maar geloof maar niet dat de aanhang van Schalke dát gelooft. Die staat hand in hand: Blau und weiss, verlass mich nicht.

*) Norbert Seitz: Kohl & Maradonna, Politik und Fussball im Doppelpass, Eichborn Verlag, Frankfurt, 1990, DM 12.80, ISBN 3-8218-1112-9.

    • J.M. Bik