Liberalisering in India: de deur staat half open

Minister-president Lubbers komt vanavond, vergezeld van kopstukken uit het Nederlandse bedrijfsleven, in India aan voor een tweedaags bezoek. De delegatie wil de nieuwe mogelijkheden onderzoeken die de liberalisering van de Indiase economie biedt. Een balans van de Indiase economie na twee jaar hervormingen.

Zo luidruchtig en opvallend als maar mogelijk is Coca-Cola het afgelopen weekeinde na een afwezigheid van zestien jaar in India teruggekeerd. Wekenlang waren de Indiërs al via de media bestookt met de terugkeer van 'The real thing'. Zondag was het dan zover en werd een gloednieuwe bottelarij in de buurt van Agra met traditionele hindoe-gezangen ingewijd. “Het meest geliefde produkt ter wereld is terug in de grootste democratie van de wereld”, ronkte een hoge Coca-Cola-functionaris.

Coca-Cola's eeuwige concurrent Pepsi, die al langer in India zit, had de bui zien hangen en had op zijn beurt eveneens een grote campagne in Agra en omgeving op touw gezet met overal gratis flesjes en gratis ijs. Daarmee is de slag tussen de Amerikaanse frisdrankenreuzen om de gunst van de honderden miljoenen Indiase consumenten in alle hevigheid losgebarsten.

De terugkeer van Coca-Cola, wereldwijd beschouwd als een van de symbolen van het westerse kapitalisme, is ook voor de regering van premier Narasimha Rao een mijlpaal in het ambitieuze hervorvormingsprogramma dat ze twee jaar geleden lanceerde. Andere buitenlandse firma's kunnen hierdoor worden aangemoedigd de gang naar India te maken.

Het geval van Coca-Cola, dat in 1977 werd verdreven uit India, is in meer dan één opzicht illustratief voor het huidige klimaat in het land. Het Indiase dochterbedrijf is namelijk voor 100 procent eigendom van de moedermaatschappij in de Verenigde Staten. Een unicum, want de nieuwe Indiase regels schrijven eigenlijk voor dat buitenlandse bedrijven maar een belang van hooguit 51 procent mogen hebben.

AIs de regering de Amerikaanse multinational op dit punt zeer ter wille geweest, hier tegenover staat een staaltje van ouderwetse ambtelijke bemoeizucht. Coca-Cola wil namelijk flessen op de markt brengen met een inhoud van 0,3 liter. Nee, vond het ministerie dat is belast met consumentenzaken, dat brengt de klanten maar onnodig in verwarring want die zijn gewend aan flesjes van 0,2 of hooguit 0,25 liter. Toen Coca-Cola protesteerde met het argument dat de consument wijs genoeg is om dat zelf te beoordelen, werd besloten een onderzoek in te stellen. Van de produktielijn in de nieuwe bottelarij rollen nu toch flessen van 0,3 liter.

Coca Cola is ook op ander gebied in India in zwaar weer verzeild geraakt. Het concern besloot niet alleen op "het meest geliefde produkt ter wereld' te wedden maar vastere voet op de Indiase markt te verwerven door de aankoop van een groot Indiaas frisdrankenbedrijf, Parle. Dit bedrijf heeft zestig procent van de Indiase markt in handen, inclusief de Indiase Cola-variant Thums Up. Ook hier moet een onderzoek van regeringswege uitmaken of dit niet een brug te ver is voor het liberaliseringsprogramma.

Bij tientallen zijn de grote buitenlandse bedrijven de afgelopen paar jaar naar India gekomen, aangelokt door een ondernemersklimaat dat sinds de Indiase onafhankelijkheid 46 jaar geleden niet zo vriendelijk is geweest. Verlekkerd kijken veel ondernemers naar de gigantische Indiase markt, naar de lage lonen en naar het grote reservoir aan goed opgeleide, Engels sprekende arbeidskrachten.

Ongeveer 2,5 miljard dollar hebben buitenlandse firma's sinds 1991 uitgetrokken voor projecten in India (waarvan ongeveer 70 miljoen dollar voor rekening van Nederlandse bedrijven). Vergeleken met de circa 150 miljoen dollar die India in de jaren tachtig jaarlijks placht aan te trekken is er dis sprake van een aanzienlijke verbetering. Maar het blijft een schijntje in vergelijking tot de 58 miljard dollar aan buitenlandse investeringen die China vorig jaar alleen al aantrok.

Dat buitenlandse bedrijven niet langer als paria's worden behandeld, is bovenal te danken aan premier Rao en zijn competente minister van financiën, Manmohan Singh. Toen zij ruim twee jaar geleden aantraden, beseften zij dat economische hervormingen onafwendbaar waren geworden. De omvangrijke handel met het oostblok was na de ineenstorting van het communisme grotendeels weggevallen, de Indiase schatkist was zo goed als leeg en India raakte snel verder achter op andere Aziatische staten met een marktgerichte aanpak. Symbool van de Indiase achterstand was de Ambassador, de auto die hier nog steeds wordt geproduceerd naar een Morris-model uit de jaren vijftig. Vergeleken met de Ambassador mag de Oostduitse Trabant een wonder van geavanceerde autotechniek genoemd worden.

Na tientallen jaren van verstikkende plan-economie besloot New Delhi de deuren van het land te openen. Van een radicale ommezwaai als in Polen en sommige andere voormalige oostblokstaten was echter geen sprake, de poort ging voorlopig slechts op een kier. Buitenlandse bedrijven mochten hun aandeel in joint ventures met Indiase bedrijven verhogen tot 51 procent. Maar in veel gevallen moesten ze zich verplichten hun winsten de komende zeven jaar weer in India te investeren.

Ook kregen grote buitenlandse bedrijven toestemming hun produkten weer onder eigen naam aan de man te brengen, een recht dat ze in het begin van de jaren zeventig hadden verloren. Er zijn nu weer Philips-televisietoestellen te koop, die tot voor kort nog onder de naam Philvision werden aangeboden. De quota die voor de invoer van tal van produkten golden, werden afgeschaft, zij het dat de komende jaren nog een uitzondering wordt gemaakt voor de sector van de consumptiegoederen. De maximuminvoerbelasting werd verlaagd van het extreem hoge tarief van 200 procent tot 85 procent. Het gemiddelde tarief beloopt nog steeds 71 procent, een zware handicap voor potentiële exporteurs naar India. De Indiase munt, de rupee, werd voor handelsdoeleinden convertibel gemaakt, al schrok de regering er voor terug het kapitaalverkeer helemaal vrij te geven.

Indrukwekkend was intussen de wijze waarop Rao en Singh in eigen huis orde op zaken stelden, in overeenstemming met richtlijnen van het Internationaal Monetair Fonds. Het begrotingstekort, dat onder Rao's voorgangers de pan was uitgerezen, werd van 8,4 procent teruggebracht tot een draaglijker 4,7 procent. Twee jaar geleden bedroeg de inflatie 17 procent op jaarbasis, de afgelopen zomer nog maar zes procent. Sindsdien is de geldontwaarding overigens weer tot 7,4 procent gestegen, mede door een aantal sociale programma's die de regering met het oog op belangrijke regionale verkiezingen later deze herfst heeft goedgekeurd.

De economische groei, die in 1991 tot een karige 1,2 procent beperkt bleef, accelereerde in 1992 tot 4 procent. Volgens de Wereldbank zal die dit jaar minimaal hetzelfde zijn en waarschijnlijk iets hoger uitvallen. Buiten beschouwing blijft dan bovendien nog de omvangrijke en bloeiende zwarte sector. Geen geringe prestatie, geven westerse waarnemers toe. De meeste Derde wereldlanden die dergelijke aanpassingsprogramma's uitvoeren, hebben er langer voor nodig om weer economische groei te genereren.

De groei is overigens niet in de eerste plaats aan de industrie te danken. “De industriëlen in India en in het buitenland wachten af, hoe het verder met de overgang van de economie hier verloopt”, zegt een econoom van een internationale organisatie in New Delhi. Voor Indiase industriëlen wordt het minder aantrekkelijk om te investeren, wanneer de invoerbelasting wordt verlaagd. Voor buitenlanders geldt juist het tegenovergestelde. Beiden willen eerst zekerheid voor ze hun portemonnee opentrekken. “Veel buitenlandse bedrijven zorgen ervoor dat ze wel al vast toestemming hebben om iets in India te beginnen maar wachten vervolgens met de uitvoering van hun projecten”, zegt dezelfde deskudnige.

De echte motor van de economische groei én van de export, die op het ogenblik met meer dan 10 procent per jaar stijgt, is de landbouw. Deze heeft ten volle geprofiteerd van enkele jaren met goede moessonregens en een regeringsbeleid dat de boeren fiscaal grotendeels met rust laat.

De regering in New Delhi is volledig doordrongen van het belang van buitenlandse investeringen. “Alleen op die manier krijg je steeds de nieuwste technologie je land binnen en blijft de dynamiek in de economie gewaarborgd”, aldus een hoge ambtenaar van het ministerie van financiën.

Ondanks de liberalisering, die voor Indiase begrippen ronduit revolutionair is, blijft India voor buitenlandse bedrijven een land met een ingewikkelde gebruiksaanwijzing. “Wanneer je in India zaken wilt doen, moet je eerst uitgebreid voorwerk doen”, zegt een vertegenwoordiger van een groot Nederlands bedrijf. “Je moet uitvinden hoe het zit met de vergunningen, met de logistiek en hoe het hier fiscaal geregeld is. Alleen grotere bedrijven kunnen zich die aanloopkosten veroorloven.”

Daarna hangt volgens hem alles af van de Indiase partner die je kiest. “Als je de goede partner weet te vinden, is het hier zeker niet moeilijker om aan de slag te gaan dan bij voorbeeld in Spanje of Frankrijk”, aldus de Nederlander. De ambtenaar van financiën beveelt eveneens samenwerking met een Indiase partner aan: “Die kennen de weg hier en weten vergunningen sneller te krijgen.”

Een veel gehoorde klacht onder buitenlandse ondernemers is dat de Indiase bureaucratie nog steeds een grote hinderpaal vormt bij het van de grond tillen van een nieuw project. Nog altijd zijn er tientallen vergunningen van verschillende ambtelijke instanties nodig alvorens een fabriek daadwerkelijk kan gaan draaien. De onwil om de benodigde papieren te verstrekken is zeker niet te zoeken bij de centrale regering in New Delhi maar des te meer op lagere niveau's. Slechts heel langzaam sijpelt het besef tot alle miljoenen radertjes van de Indiase bureaucratie door dat buitenlandse bedrijven nu gastvrij dienen te worden behandeld. “De bureaucraat denkt nog steeds dat hij de allerhoogste is, als een Brahmaan”, zei een Indiase industrieel onlangs.

Er bestaan in dit opzicht grote verschillen per deelstaat. Sommige, zoals Maharashtra, Gujarat en Haryana, zijn tamelijk gastvrij, andere veel minder. “De minder gastvrije staten zullen nu vanzelf gauw genoeg de rekening gepresenteerd krijgen van hun houding”, zegt de ambtenaar van financiën. “De buitenlandse firma's kiezen natuurlijk de meest coöperatieve deelstaten voor hun activiteiten.”

“We zullen onze ambtenaren op grote schaal moeten herscholen”, meent Srinivas Rajgopal, zelf een zojuist gepensioneerde hoge ambtenaar die werkzaam was in het kantoor van premier Rao. “Veel ambtenaren zijn bezorgd dat ze door de liberalisering een deel van hun invloed moeten prijsgeven. Dat is op zichzelf een logische reactie. De instinctieve reactie van elke bureaucraat waar ook ter wereld is immers zich tegen veranderingen te keren.”

Voor veel buitenlandse bedrijven is India vooral interessant wegens de lage lonen en de goed opgeleide arbeidskrachten. Menige westerse entrepreneur moet echter tot zijn schade ervaren dat de Indiase arbeidskrachten vaak niet erg gedisciplineerd zijn. Van de talrijke vestigingen van Philips in India ligt er altijd wel ergens een afdeling plat wegens een staking. Tot voor kort was het een jaarlijks terugkerend ritueel dat de directeur in Bombay enige tijd in zijn kamer werd opgesloten wanneer de werknemers meenden dat de tijd voor een loonsverhoging weer was aangebroken.

De lage lonen zijn soms ook verraderlijk. De andere kant van de medaille is de lage produktiviteit. “Wanneer je een schip wilt laten bouwen, doe je dat niet in India maar in Taiwan of Zuid-Korea. De lonen mogen hier wel lager zijn, maar het duurt ook ruim twee keer zo lang voor het schip af is”, zegt een Nederlander die anoniem wil blijven.

Ook de politiek kan de bedrijven parten spelen. Het kantoor van ht Amerikaanse voedingsconcern Cargill in Bangalore werd eerder dit jaar geplunderd door woedende nationalistische activisten die meenden dat het bedrijf de Indiase boeren op slinkse wijze dure zaden wilde opdringen. Cargill zag vorige maand af van een groot zoutwinningsproject in Gujarat nadat er protestmarsen waren georganiseerd door mensen die de multinational daar ongaarne zagen. In beperkte kring worden in India multinationals nog steeds beschouwd als het kwaad in eigen persoon.

Een andere, zeer belangrijke handicap voor buitenlandse ondernemers en trouwens evenzeer voor hun Indiase collega's is de slechte staat van de infrastructuur in het land. De Indiase wegen zijn over het algemeen van een bedroevende kwaliteit. Zelfs de weg tussen twee relatief dichtbij elkaar gelegen belangrijke industriecentra als Bombay en Pune is deels niet breder dan een paar meter en bovendien onverhard. Elke dag weer worstelen vele duizenden vrachtwagens en personenauto's zich moeizaam langs de talrijke flessenhalzen in deze weg.

Het Indiase spoorwegnet is omvangrijk maar de verbindingen zijn tijdrovend. Dat geldt voor passagierstreinen maar meer nog voor het vrachtverkeer. Met de vliegverbindingen is het niet veel beter gesteld. Veel steden zijn per vliegtuig te bereiken maar de service is pover, al is die wel verbeterd sinds er naast de staatsluchtvaartmaatschappij Indian Airlines ook particuliere maatschappijen zijn toegestaan. Belangrijker is echter dat de veiligheid in India ernstig te wensen over laat. Samen met Colombia is India het gevaarlijkste land voor vliegverkeer ter wereld, concludeerde de Internationale Associatie van Luchtvaartmaatschappijen en Passagiers (IAPA) onlangs.

Het telefoonnet is de afgelopen jaren aanmerkelijk verbeterd maar blijft in vergelijking tot andere landen matig van kwaliteit. Regelmatig vallen telefoonlijnen eenvoudigweg voor onbepaalde tijd dood, ook in een grote stad als New Delhi. Een ander probleem in vrijwel heel India is verder de elektriciteitsvoorziening. In sommige streken is er slechts gedurende minder dan de helft van de dag stroom. Elders moeten fabrieken op de piekuren, wanneer particulieren ook op grote schaal stroom gebruiken, hun produktie op last van de overheid stopzetten.

Veel bedrijven uit het buitenland staan te trappelen om de wegen, het telefoonnet en zoveel andere zaken aan te pakken. Ook de Nederlandse zakenlieden in het kielzog van premier Lubbers hopen op dit terrein een graantje mee te pikken. “Binnen een paar jaar zou er bijzonder veel kunnen worden gedaan”, meent de econoom van de internationale organisatie. Maar de Indiase regering zegt geen geld te hebben voor zulke kostbare projecten, al ontkent ze niet dat er veel verbeterd zou kunnen worden. Bovendien speelt hier het probleem dat de centrale regering maar beperkte zeggenschap heeft over infrastructuur, veel minder dan de deelstaatregeringen, die echter vaak andere prioriteiten hebben.

Dat dergelijke verbeteringen in de infrastructuur juist een onmisbare voorwaarde zijn om in de toekomst nieuwe investeringen aan te trekken, is een argument dat niet erg aan de autoriteiten besteed lijkt. “De Indiër kan wel goed filosoferen maar niet vooruitdenken”, luidt het nuchtere commentaar van een Nederlandse waarnemer, die anoniem wil blijven. Instellingen als de Wereldbank hebben al verklaard dat de Indiase regering er niet op hoeft te rekenen dat buitenlandse donors de broodnodige verbeteringen in de infrastructuur geheel zullen bekostigen. India zal hier van regeringswege of anderszins zelf ook flink aan moeten meebetalen.

Als een zwaard van Damocles hangt intussen een andere kwestie boven de hervormingen: de stormachtige groei van de bevolking. Nu telt India ongeveer 900 miljoen mensen en de grens van het miljard zal waarschijnlijk al voor het jaar 2.000 worden overschreden. Nog voor het einde van de eeuw zullen naar schatting honderd miljoen extra banen nodig zijn.

De reflex van de bevolking is nog steeds om zich voor werk tot de regering te wenden, die vanouds op elk gebied, een grote invloed heeft. Het zal veel vastberadenheid van politici vergen om de schatkist gesloten te houden en de kiezers meer dan vroeger naar de particuliere sector te verwijzen. Als ze onder de druk bewzijken dreigt India terug te vallen in de oude malaise, waaraan het zich nu juist probeert te ontworstelen.

    • Floris van Straaten