Huizinga's voorbeeld geldt heden

Bij het verschijnen van A. van der Lems biografie "Johan Huizinga, Leven en werk in beelden en documenten' signaleert Bram Kempers dat de biografie een ondergewaardeerd genre blijft, waar het gaat om richtlijnen voor toekomstig beleid. Welk licht werpt Huizinga's biografie op de sociale betekenis van zijn publikaties? En welke les is daar uit te trekken voor het beleid van hoger onderwijs en onderzoek?

Over de eigentijdse universiteit wordt veel geklaagd: binnenskamers en in het openbaar. Maar nog steeds is het een voorrecht om wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen en onderwijs te mogen geven. Niettemin is er reden stil te staan bij de veranderingen die toenemende studentenaantallen, een veel ingewikkelder organisatievorm, en bezuinigingen met zich mee hebben gebracht.

Daartoe biedt de zojuist verschenen biografie van Johan Huizinga een goede gelegenheid omdat zijn oeuvre een bron van inspiratie is en zijn manier van werken in enkele opzichten voorbeeldig blijft. Aan zijn functie als voorbeeld doen de veranderde omstandigheden en het besef dat hij beschikte over een uitzonderlijke talent niets af. Anders gezegd, de biografie is een ondergewaardeerd genre waar het gaat om richtlijnen voor toekomstig beleid; vaak wordt voorbijgegaan aan de inzichten die een biografie te bieden heeft in bewezen succes en vastgesteld falen. De biografie van Huizinga geeft aan dat voor de alfa- en gammawetenschappen een persoonlijk mandaat met een grote marge van intellectuele vrijheid tot indrukwekkende resultaten heeft geleid: Huizinga werd wereldberoemd als individueel geleerde die gelegenheid kreeg zich af te schermen voor een overdaad aan bureaucratische beslommeringen, maar wel de eenheid van onderwijs en onderzoek in ere wist te houden.

Dat Johan Huizinga de beroemdste Nederlandse geleerde in de geesteswetenschappen is, nationaal en internationaal, blijkt uit zijn publikaties, vertalingen en herdrukken en ook uit de verwijzingen naar zijn werk en de publikaties over hem. De Verzamelde Werken geven een afgerond beeld van zijn oeuvre, dankzij de Briefwisseling kunnen we zijn werk in verband brengen met zijn leven, met behulp van de dissertatie van W. Krul (Historicus tegen de tijd) kunnen we beide thematisch met elkaar in verband brengen en nu is het mogelijk deze verbanden aanschouwelijk te maken op basis van de biografie van Anton van der Lem, met Krul en Hanssen één van de bezorgers van de briefwisseling.

Ik mag deze biografie ten doop houden en ik zal twee vragen opwerpen: welk licht werpt Huizinga's biografie op de sociale, zo men wil wetenschapshistorische, betekenis van zijn publikaties en welke les is daaruit te trekken voor het hoger onderwijs- en onderzoeksbeleid? Ik beperk mij tot de volgende aspecten van Huizinga: zijn brede belangstelling, aandacht voor popularisering, gerichte bestuurlijke inzet, zorg voor de eenheid van onderwijs en onderzoek, "internationalisering' en isolement.

Huizinga's belangstelling was zeer ruim. Zij bestrijkt een breed scala aan onderwerpen, perioden en plaatsen. Zijn benadering is gevarieerd en omvat de beoefening van verscheidene stijlen en genres: zijn publikaties hebben bijna alle een grote reikwijdte. Huizinga is het tegendeel van de specialist, die met één bepaald type bronnen werkt, één tijdvak beheerst en een enkel thema aansnijdt. Dit heeft aanzienlijk bijgedragen tot de populariteit van zijn werk en tot de blijvende interesse voor zijn gedachtengoed. De prijs voor zijn houding als creatief generalist is evenwel geweest, dat hij niet zoals zijn specialistische collega's school heeft gemaakt, in de zin dat leerlingen en promovendi de vrijkomende leerstoelen gingen bezetten. Huizinga bleef zijn hele loopbaan lang zelf publiceren en met elke tekst voedde hij de aandacht voor wat hij eerder had gepubliceerd. Dit cumulatieve effect geldt ook voor de internationale ontvangst omdat vertalingen van vroeg werk, bijvoorbeeld in het Italiaans, in enkele gevallen volgden op het succes van latere, soms geheel anders getoonzette boeken. Huizinga profiteerde van een wisselwerking in de reacties op zijn werk als cultuurhistoricus, -criticus en -filosoof, respectievelijk op schrift gesteld in Herfsttij der Middeleeuwen, In de schaduwen van morgen en Homo ludens.

Als echte geleerde geneerde Huizinga zich evenwel niet voor popularisering. Hij schreef in De Gids, waarvan hij redacteur was, en hij publiceerde in de NRC. Besprekingen van boeken en algemene beschouwingen zag hij als een deel van zijn leeropdracht en vatte hij derhalve serieus op. Verscheidene van zijn niet alleen voor vakgenoten geschreven bijdragen zijn nog steeds het lezen waard. Hierop is dus niet de aan de moderne universiteit als tweede rang opgevoerde categorie "populariserende publikaties' van toepassing en al helemaal niet het predikaat "bijklussende hoogleraar'. Integendeel, er is sprake van een geleerde die door het gebruik van andere media dan het wetenschappelijke boek of het vaktijdschrift vorm geeft aan zijn besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Hoewel Huizinga zich hoedde voor al te veel organisatorisch werk, heeft hij op belangrijke momenten bestuurlijke verantwoordelijkheid gedragen. Als jong hoogleraar in Groningen heeft hij zich intensief bemoeid met de decoraties in het nieuwe Academiegebouw. Uitgesproken waren zijn ideeën over het type wandschilderingen dat daar thuis hoorde en vooral wat er misstond, als ook wie dat te beslissen had: de hoogleraren en niet de rijksgebouwenmeester of het curatorium. Dit keer trok Huizinga aan het kortste eind - een bittere ervaring waarvan hij heeft geleerd politiek voorzichtig te zijn. Later, in de jaren dertig, heeft hij zich als rector in Leiden van zijn taak gekweten door politiek stelling te nemen op een moment dat dit opportuun was. Ook hekelde hij de wantoestanden in het universitaire bedrijf, niet het minst de "absurde lokaliteiten' waarin enkele faculteiten waren ondergebracht. Beeldende kunst, architectuur en ook typografie hadden Huizinga's aandacht en hij schuwde het niet deel te nemen aan het maatschappelijke debat daarover; hij nam de bestuurlijke taken die dat met zich mee bracht op zich, maar steeds met mate en doelgericht.

Hoofdzaak was zijn onderzoek en daarmee verweven onderwijs. Verwijzingen naar collegedictaten en aantekeningen geven een mooi beeld van de eenheid van onderwijs en onderzoek die Huizinga in praktijk wist te brengen. Ze illustreren tevens hoe zijn gedachten zich hebben ontwikkeld. Zijn aandacht ging uit naar de Europese cultuurgeschiedenis en daarbij vond hij steun in zijn opleiding als taalkundige, die garant stond voor een diepgeworteld besef van taal en de problemen die daarmee samenhangen. Tevens had hij een grote ontvankelijkheid voor uiteenlopende soorten bronnen, waaronder ook schilderijen. Opvallend is de flexibele manier waarop hij te werk ging: plannen voor boeken werden gewijzigd en nieuwe gedachten probeerde hij uit op colleges.

Niet gehinderd door onderzoeksprogramma's, voorwaardelijke financiering en zwaartepunten kon Huizinga zijn leeropdracht met verve waarmaken. Daarbij besefte hij, zo blijkt onder meer uit de brieven die hij in ballingschap tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef, het belang van zijn eigen boeken, zijn eigen studeerkamer en de Leidse universiteitsbibliotheek, die hem in combinatie met enig werk in het buitenland het instrumentarium boden dat hij nodig had. De biografie bevestigt de betekenis van buitenlandse reizen voor de ontwikkeling en de receptie van zijn werk. In dat licht bezien wordt er thans op de verkeerde dingen bezuinigd, namelijk op de budgetten voor bibliotheken, voor de opbouw van gespecialiseerde onderzoeksbibliotheken (of afdelingen daarvan) en voor mogelijkheden, zowel voor staf als voor gevorderde studenten, de toonaangevende onderzoeksinstellingen in het buitenland te gebruiken.

Zelf heeft Huizinga de buitenlandse aandacht voor wat hij schreef actief en met succes bevorderd door te corresponderen, te reizen en zich met vertalingen te bemoeien. In de jaren zeventig verdween hij uit de belangstelling van historici, kunsthistorici en vooral sociaal-economische historici, maar recentelijk is die interesse sterk toegenomen.

De befaamde Engelse kunsthistoricus Francis Haskell heeft zijn omvangrijke en belangwekkende boek History and its Images, Art and the Interpretation of the Past (Yale University Press 1993) afgesloten met een hoofdstuk over Johan Huizinga. In hem ziet Haskell de afronding van een eerbiedwaardige traditie van historische beschouwingen waarin gebruik wordt gemaakt van het beeld als historische bron. Hij beklemtoont het belang van visuele ervaringen voor Huizinga's gedachtengoed en maakt tevens duidelijk wat een moeilijke opgave het blijkt te zijn voor historici om kunst op een adequate manier te gebruiken bij hun onderzoek. Het boek van Haskell biedt een Nederlander het zeldzame gevoel een voordeel te hebben in de internationale wetenschap, niet alleen omdat wij Huizinga's naam correct kunnen uitspreken, zijn titels zonder fouten kunnen spellen en enige trots kunnen voelen, maar ook omdat wij alles van hem kunnen lezen in zijn eigen taal - de taal die zo belangrijk voor hem was. Eens te meer besef je hoe groot het nadeel in andere situaties is.

Deze internationale aandacht dankt Huizinga, hoe paradoxaal het ook lijkt, mede aan het isolement dat hij op gezette tijden verkoos. Veelzeggend voor Huizinga is het geweven bordje dat tijdens het werk op de deur van zijn studeerkamer kwam te hangen; daarop stond, in niet al te fraaie kapitalen STILTE.

Afzondering, soevereiniteit en gevoel voor eigenwaarde: het zijn begrippen die men tevens associeert met de mooie legende die Huizinga over zich zelf aan de wereld heeft geschonken. In zijn autobiografische schets van 1943 (postuum, in 1947 gepubliceerd als Mijn weg tot de historie) memoreert hij het ontstaan van Herfsttij, een sedertdien veelvuldig aangehaald verhaal. Wandelend langs het Damsterdiep, dat Groningen met de Dollard verbindt, zou hij op de gedachten zijn gekomen die hem later als Leids hoogleraar wereldberoemd hebben gemaakt. Dit verhaal is geromantiseerd en is wellicht een half verhulde provocatie, maar in beide opzichten verdient de herinnering aan deze openbaring onder de Groningse hemel serieus genomen te worden: zo zag Huizinga zelf de ontwikkeling van belangrijke wetenschappelijke gedachten en wie kan er recht op laten gelden dat beter te weten? Assistenten in opleiding, onderzoekers in opleiding, universitair docenten en hoogleraren moeten dus meer langs rivieren en vaarten wandelen en wellicht minder tijd besteden aan hun verblijf in vergaderzalen en achter de computer, ten einde weer een nota over onderzoeksplanning te produceren, voortgangsverslagen te schrijven en subsidieaanvragen te concipiëren.

Natuurlijk: Huizinga was een bijzondere man met een uitzonderlijk talent en zijn voorbeeld bij bovengenoemde aspecten kun je niet zonder meer als richtlijn nemen binnen de sterk veranderde universitaire organisatie. Maar toch is hij zonder twijfel een voorbeeld voor mensen die publiceren op het brede terrein van de cultuurgeschiedenis, of ze zich daarbij, zoals Huizinga deed, laten inspireren door de sociale wetenschappen, of hun heil meer zoeken in archiefonderzoek. Voor degenen die verstrikt raken in de moderne wetenschapsbureaucratie - en dat lijkt alfa's en gamma's vaker te overkomen dan bèta's die hun zaken veel beter voor elkaar hebben - wordt hier een werkwijze getoond die onmiskenbaar duidelijk maakt dat we te ver zijn afgeraakt van de rol van de geleerde wiens primaire opdracht het is boeken te schrijven.

Het is, zo leert Huizinga's biografie, tijd voor beleid dat gericht is op een renaissance van de hoogleraar wiens leeropdracht de kern uitmaakt van het wetenschappelijke onderwijs en onderzoek: in Nederland en daarbuiten.