Franse filmmakers brallen

Dit voorjaar vroegen Amerikaanse filmregisseurs om Nederlandse handtekeningen voor een advertentie in de Franse pers tegen het inkleuren van oude films. Ik gaf hun vijf namen waaronder die van mijzelf. Bij de EG-commissie sloeg de regisseurs-advertentie aan en jaloers geworden Franse filmproducenten besloten ook een manifest op te stellen. Als onderwerp kozen zij het wereldvrijhandelsakkoord GATT, waarover opnieuw wordt onderhandeld. Europa wilde een open markt voor "diensten' (banken, koopvaardij), de VS voor entertainment. De uitkomst was: noem film en televisie voortaan diensten en maak die hele markt vrij.

De Franse producenten hadden de klok horen luiden maar wisten niet waar de klepel hing. Er werd een tekst opgesteld en ter ondertekening voorgelegd aan regisseurs in een aantal Europese landen. Twee punten in de verklaring waren aperte missers en bovendien beledigend: “Het doel van Amerikaanse filmmaatschappijen is alle creativiteit in Europa te vermorzelen”. Ook wilde de verklaring in het GATT een uitzondering maken voor cultuur zoals dat ook wordt beoogd in het ontwerp-handelsverdrag tussen de VS, Canada en Mexico. Daar is elk land vrij maatregelen te nemen om de eigen cultuur te beschermen. Maar dan zijn de andere landen vrij om terug te slaan. Als Canada zijn televisie beschermt mogen de VS de invoer van Canadees hout belasten.

De Franse manifest-schrijvers waren van deze laatste bepaling niet op de hoogte. Om die fout te herstellen kwamen de Fransen op het festival in Venetië met een nieuw standpunt. Ze wilden film en tv helemaal uit GATT halen. In dat geval zou Frankrijk Amerikaanse films mogen weren. Dit voorstel werd kil ontvangen. Waarom zouden de VS een nieuwe overeenkomst tekenen als zo'n belangrijk exportprodukt erbuiten viel? En: veel Europese filmgroepen hadden al het vorige Franse manifest gesteund. Moesten die de politiek thuis weer een ander standpunt verkopen? Evenmin hielp dat de Fransen over hun nieuwe idee niet praatten maar keihard dramden.

De doorslag gaf een nieuwe redeneerfout: als film en tv helemaal uit GATT verdwijnen, blijft een oude afspraak van kracht die een quotum van 49 procent nationaal produkt toestaat. Frankrijk, maar ook Nederland mogen desgewenst eisen dat bioscopen in eigen land 49 procent nationale produkten vertonen. In de praktijk wordt dit quotum zelden gehanteerd, maar "ingeruild' tegen andere maatregelen om de nationale film te beschermen, bij ons het filmfonds - dat het GATT eigenlijk verbiedt. In het hypothetische geval dat de VS protesteren, kan Frankrijk zich revancheren door het quotum in te stellen. De Franse industrie wil een quotum van meer dan 60 procent, maar met dit nieuwe standpunt zou ze maar 49 procent krijgen.

De Franse filmgemeenschap zat met de handen in het haar. Om een overwinning te suggereren diepte men het oude manifest op en maakte daar zonder veel plichtplegingen een advertentie van. Alle Europese filmmakers van wie men inderhaast namen kon vinden werden er zonder meer onder gezet, overgenomen van de vorige advertentie. En zo kwam ook een groepje onwetende Nederlanders in Le Monde, La Republica, The Independent en de Frankfurter Algemeine. Terecht, in Parijse ogen, het was immers ondenkbaar dat een goed Europees filmmaker het met dat manifest oneens zou zijn. Men had het nog aangepast ook! De toon was echter even brallerig.

Het is wat ongelukkig dat de Franse regering vierkant achter dat manifest is gaan staan. Wel is begrijpelijk dat Frankrijk geen zin heeft zijn filmcultuur op te offeren in het nieuwe akkoord, maar daar is geen gevaar voor. Ze kunnen over film en tv afspreken wat ze willen in GATT, de oude 49 procent regel staat er nog steeds in. Voor film gelden dan twee tegenstrijdige bepalingen, één die bescherming verbiedt en één die een quotum van 49 procent toestaat. Wij zitten op rozen in zo'n grijs gebied. Als niemand was begonnen over een uitzondering voor audiovisuele cultuur begonnen, zou er niks aan de hand zijn. De uitzondering is er al.

Maar een GATT zonder een extra culturele uitzondering is na al het Franse misbaar ondenkbaar, het gezichtsverlies zou te groot zijn. We moeten in Europa compromissen met Parijs zoeken. De Franse filmindustrie schreeuwt om quota, wij houden daar niet van. Bernard Miyet, de reizende Franse ambassadeur voor film en GATT, die een compromis moet vinden, ziet gelukkig ook niets in quota. Hij wil dat de financiering-structuur van de Franse film, die ervoor zorgt dat de Franse filmindustrie die zichzelf bedruipt via de bioscooprecette, in het nieuwe akkoord overeind blijft. Zijn angst dat het fout loopt is misschien overdreven, het standpunt zelf is heel begrijpelijk. Ook de Amerikanen hebben daar geen echt probleem mee. Een compromis is dus haalbaar.

Het mooiste zou zijn als de Nederlandse film-financiering wat in Franse richting opschoof. Hun model is het enige succesvolle in Europa en het kost de belastingbetaler geen cent. Als straks GATT een bepaling krijgt die in heel Europa dat Franse systeem toestaat, is al het gekissebis niet voor niets geweest.

    • Wim Verstappen