Expositie curieuze boeken van particulieren in Koninklijke Bibliotheek; Boekenfijnproever is niet te kieskeurig

Tentoonstelling: Verzameld verlangen. T/m 3 dec. in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. Ma t/m vr 9-17u. Catalogus ƒ 25.

Hij had maar één gedachte, één liefde, één hartstocht: Boeken. Terwijl boeken in overheidsbibliotheken beducht zijn voor iedere nieuwe maatregel van de kant van hun gastgevers, worden ze gekoesterd door de particulier. Ook al kan Nederland niet bogen op de rijke Franse traditie in dit opzicht, toch zijn ze ook hier te vinden: verzamelende minnaars van het boek. Drie jaar geleden sloot een aantal van hen zich aaneen in het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Met stemmingmakers als de hierboven aangehaalde woorden van Flaubert (Bibliomania), maar vooral met een proeve van eigen verzamelkunst, presenteert het gezelschap zich nu onder de titel Verzameld verlangen in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Een tentoonstelling als deze, zonder thema of motief, is eigenlijk een rariteitenkamer. Ze werpt niet alleen licht op ruim honderdzeventig merkwaardige drukwerken, maar ook op de smaak van de inzenders. Als die veronderstelling juist is, kan geconcludeerd worden dat de Nederlandse boekenfijnproever niet al te kieskeurig is. Hij kent zijn klassieken. Deel één van Cornelius Nozemans Nederlandsche Vogelen (1770) met handgekleurde gravures bijvoorbeeld, een reusachtige uitgave die op geen enkele goed-vaderlandse boekententoonstelling ontbreekt, staat ook hier te pronk. Daarnaast zijn minder voor de hand liggende keuzen gedaan, waaronder het schildpadden-balboekje (ca. 1900) van een uitgaande juffer, de bijbel van Kortjakje (1711) in een band van haaieleer met zilverwerk, een boombasten orakelboek van een medicijnman uit onze eigen eeuw en het minuscule drukje (1830) uit de fameuze werkplaats van Firmin Didot dat, in het onverklaarbare gezelschap van een verguld damesnaaigarnituur, in de dop van een reuzenwalnoot zijn rustplaats heeft.

Verzameld verlangen mag geslaagd heten voor zover ze in de bezoeker een arsenaal van gemoedsbewegingen weet te beroeren, ruwweg van bewondering tot afschuw. Een prima stimulans voor dat laatste verschaft het aanbiddelijke slonsje in Griet de Smeerpoets (1896):

Zaagt gij ooit zoo'n sloddervos?

Alles is gescheurd of los,

't Hoofdhaar kan men waarlijk maaien.

In haar ooren klaver zaaien.'

Wonderlijk is ook de aanblik die het Book of common prayer (1887) biedt, met zijn onleesbaar runenschrift dat volgens de ondertitel niets minder dan een easy reporting style of phonography is. Soms is het juist de toelichting die een boek belangwekkend maakt. Zo staat hier een laconiek boekenpaar in het Glagolitisch, een oud-Slavisch letterschrift. Het oudste van de twee is de "Crobotische' Katekismus (1561), uit typografisch materiaal van het Kroatisch Bijbelgenootschap gedrukt in Duitsland en uitgegeven met het oog op de protestantse zending in Zuid-Slavië. Het bleek een gedoemde onderneming. Nadat de hele - héle? - oplage vernietigd moest worden wegens een ongewenste passage, zag het bijbelgenootschap haar letters in handen vallen van het vijandelijke kamp, de katholieke tegenpartij die er haar voordeel mee deed. Op de tentoonstelling ligt het devote resultaat, een werkje dat driekwart eeuw jonger is maar gedrukt uit hetzelfde lettermateriaal en door de Roomse kerk uitgegeven voor de katholieke zending in Zuid-Slavië.

Niettemin blijven de emoties in dit complete kabinet nodeloos vlak. Misschien omdat de smaak van de Nederlandse genootschapsbibliofiel, in weerwil van zijn passie, toch gekenmerkt wordt door een zekere braafheid, een afkeer van lef, orginaliteit, eruditie? Voor het welslagen van zo'n kennismakingstentoonstelling is echter niet de keuze van de boeken doorslaggevend maar de motivatie van die keuze. Wat maakt dat deze bibliofielen, om te spreken met Holbrook Jackson, de grote kenner der bibliomanen, "are wedded to their books'? Wie zoekt naar een antwoord is dankbaar voor iedere aanwijzing, voor elke persoonlijke noot. "Triest gevolg van de natte zomer van 1993' vermeldt een kaartje bij een afzichtelijk verregend exemplaar van het negentig jaar oude prentenboek Uzeltje. Een andere inzender laat doorschemeren voor het boek Artists in exile (1942) een huiselijke verbouwing te hebben geofferd. Maar zulke bekentenissen zijn zeldzaam. Integendeel, de meeste bijschriften zijn teruggebracht tot het neutrale niveau van officiële berichtgeving. Onder deze omstandigheden richten de gevoelens van de bezoeker zich tegen zijn eigen gidsje, de catalogus die, hoewel informatief en doelmatig geïllustreerd, met zijn hard omslagontwerp en ruwe typografie een kein mormel is, de goede zaak van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen onwaardig.