Europees monetair beleid

Wie zal de monetaire aanpak van de toekomstige Europese centrale bank bepalen? Zal het monetaire beleid van Duitse of van Angelaskasische snit zijn? Dit zijn geen academische vragen, ook al is deze zomer het wisselkoersmechanisme van het huidige Europese Monetaire Stelsel (EMS) uiteen gerafeld en de invoering van een gemeenschappelijke Europese munt tegen het einde van de eeuw onzeker geworden.

De Europese centrale banken zijn nu al bezig posities in te nemen, zoals vorige week bleek op een conferentie in Amsterdam, georganiseerd door De Nederlandsche Bank en het Tilburgse economische instituut CentER. Daar werd duidelijk dat prijsstabiliteit als belangrijkste doel van het monetaire beleid en de onafhankelijkheid van de centrale banken onomstreden zijn. Toch stonden twee visies tegenover elkaar. Aan de ene kant verdedigde Otmar Issing, bestuurder van de Bundesbank, de orthodox monetaire lijn om slechts oog te hebben voor de groei van de geldhoeveelheid. Aan de andere kant stond Andrew Crockett, directeur van de Bank of England, met zijn opvatting dat de monetaire autoriteiten rekening moeten houden met een aantal economische variabelen en bij de bepaling van hun beleid op hun inzichten moeten afgaan.

Duitsland kan wijzen op bewezen resultaten van zijn anti-inflatiebeleid. Zelfs na de schok van de Duitse eenwording is de inflatie niet boven de vijf procent uitgekomen, terwijl in Groot-Brittannië onderwerping aan de monetaire discipline van het EMS (dat wil zeggen van Duitsland) nodig was om de inflatie onder de vijf procent te krijgen.

Het strakke beleid van de Bundesbank heeft zich via het wisselkoersmechanisme van het EMS vertaald in hoge rente in heel Europa. Met als gevolg economische stagnatie, crises in het wisselkoersmechanisme en onhoudbaarheid van de smalle bandbreedte in het EMS. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige landen naar een andere houvast voor hun monetaire beleid zoeken.

Na de uittreding uit het wisselkoersmechanisme, september vorig jaar, heeft Groot-Brittannië gekozen voor een inflatiedoelstelling. Deze moet niet worden bereikt door uitsluitend met de korte rente de geldhoeveelheid te sturen, maar door een genuanceerde aanpak gebaseerd op een veelheid van economische gegevens. Daarmee rekening houdend komen de monetaire autoriteiten tot hun beleid. Amerikaanse academici, zo bleek op de conferentie in Amsterdam, zijn hiervan voorstanders. Zij verwijten de Bundesbank en andere centrale banken die het Duitse beleid volgen dat de eenzijdige nadruk op de groei van de geldhoeveelheid en beteugeling daarvan door het rente-instrument de Europese economieën in een onnodig diepe recessie heeft gestort.

Issing en monetaire specialisten uit EG-landen van het continent stelden hier tegenover dat de overtuigingskracht van het monetaire beleid beter gediend is met een duidelijke regel voor de geldhoeveelheid. Ook de opkomst van nieuwe financiële "derivaten' die zich onttrekken aan de directe controle van de centrale banken valt volgens Issing in te passen in een beleid gebaseerd op monetaire grootheden. Het toekomstige Europese monetaire beleid zou dan ook een kopie van het Bundesbank-beleid moeten worden.

André Icard, vertegenwoordiger van de Banque de France, nam een opmerkelijke tussenpositie in. Hij zette uiteen dat Frankrijk veel voordeel heeft gehad door vanaf 1983 zijn monetaire beleid ondergeschikt te maken aan dat van de Bundesbank. Maar naast de wisselkoers-doelstelling van een stabiele franc ten opzichte van de Dmark hanteert Frankrijk ook nog een zelfstandige doelstelling voor binnenlandse prijsstabiliteit.

Na de aanpassing van de EMS-regels in augustus van dit jaar blijft Frankrijk streven naar wisselkoersstabiliteit, verzekerde Icard. Maar het binnenlandse streven naar prijsstabiliteit heeft een groter gewicht gekregen nu de bandbreedte voor koersfluctuaties is verruimd tot 15 procent. Bijgevolg zal Frankrijk zijn beleid niet uitsluitend meer laten bepalen door de vaste franc-Dmark koers, maar ook met andere economische graadmeters rekening houden.

Daarmee zette Frankrijk de deur op een kier om binnen het streven naar stabiele koersen in continentaal Europa meer gewicht te geven aan andere prioriteiten. Zoals economische herstel en werkloosheidsbestrijding. Het debat over het beleid van de toekomstige Europese centrale bank krijgt hiermee een heel actuele betekenis.