Een ongunstig pedagogisch klimaat

Als meneer Deursem naar de gevangenis moet, zal hij het er moeilijk krijgen. Seksuele delinquenten als hij worden door de andere gevangenen niet bepaald respectvol benaderd. “Je kunt er beter voor een bankoverval zitten”, zegt zijn advocaat, mr. N. Stumpel.

Misschien is Deursem vooral daarom bij het Haagse gerechtshof in beroep gegaan tegen de straf die de Utrechtse rechtbank hem eerder oplegde. Maar officieel geven hij en zijn advocaat een andere reden op: het feit dat de psychotherapeutische behandeling van Deursem door de detentie wordt onderbroken.

“Hoe komt hij uit de gevangenis?” vraagt de advocaat zich hardop af. “Is het dan niet veel te laat? Hij moet behandeld worden.”

De rechtbank veroordeelde Deursem tot vijftien maanden cel waarvan vijf voorwaardelijk. “De straf viel ronduit tegen”, zegt de advocaat. “Ik heb eerder in Amsterdam een vergelijkbare zaak gehad. Het ging toen om padvindersleiders. Die zaak werd geseponeerd. Waar is dan de rechtsgelijkheid? Er is geen peil op te trekken. Waarom zou een werkstraf in deze zaak niet op haar plaats zijn?”

Deursem kreeg de gevangenisstraf opgelegd voor het plegen van ontucht met drie jongens in de leeftijd van elf tot veertien jaar. Er was een belangrijke verzwarende omstandigheid: Deursem pleegde de ontucht met kinderen die hij als adjunct-directeur van een kindertehuis onder zijn hoede had. Twee kinderen misbruikte hij gedurende een jaar, bij de derde jongen ging het om een eenmalig contact - deze jongen liet merken dat hij van voortzetting niet gediend was.

Deursem maakt een gedweeë indruk. Hij praat zó zacht dat hij soms moeilijk te verstaan is. Hij moet de afgelopen twee jaar, na de ontdekking van zijn daden, door een hel zijn gegaan. Het kindertehuis staat in een kleine plaats waar hij ook zelf woonachtig is. De regionale pers en het roddelcircuit zullen hem niet gespaard hebben. Zijn baan en zijn vrienden is hij kwijt, op de publieke tribune zit een zeer bescheiden aanhang: een vrouw van zijn leeftijd en een jonge man.

“Hoe bent u tot dit soort daden gekomen?” vraagt de president, mr. J. Makkink. “Het stond nogal ver van uw functie af. U was er voor het bevorderen van het pedagogische klimaat.” Hij zegt het zonder hoorbaar sarcasme - wat een hele opgave is.

Stilte.

“Ik heb die kinderen niet bewust willen benadelen”, zegt Deursem. “Ik kon niet uit de weg met mijn eigen gevoelens. Daardoor ben ik te ver gegaan in het geven van affectie en het seksueel benaderen van die jongens.”

“Twee waren zeer afhankelijk van u, ze zagen tegen u op. Bij één van hen ligt het wel erg precair. Hij functioneerde niet goed, u moest hem extra begeleiding geven. Dat heeft u ook toen laten uitgroeien. En dat schrijft u toe aan uw gevoelens waarmee u niet uit de voeten kon?”

“Als ik even mag...” probeert de advocaat tussenbeide te komen.

“Ik zou het graag van ú horen”, zegt de president met klem terwijl hij Deursem blijft aankijken.

“De seksuele relatie met die jongen stond niet voorop”, zegt Deursem aarzelend. “Dat groeide.” Dan, schuldbewust: “Maar ik ben de volwassene, ik gaf de aanzet.”

“U deed het niet alleen thuis, maar ook in de kantoorruimte.”

“Dat klopt.”

“Terwijl u in een vorige werkkring ook al zo'n relatie had. En daarvoor gewaarschuwd was.”

“Dat is juist.”

De president leest voor uit de psychologische rapportage. Een deskundige twijfelt tussen volledige en enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid. Deursem zou een afhankelijke persoon zijn, getraumatiseerd door incest-ervaringen als 13-jarige waarover hij destijds nooit kon praten. Een zeer intelligente, maar weinig wilskrachtige man die niet volwassen is geworden.

Door zijn eigen problemen in zijn jeugd voelde hij zich later aangetrokken tot werken met kinderen, meent zijn advocaat. Hij wilde hen helpen, maar creëerde juist daarmee de voedingsbodem voor zijn delicten. Hij wist niet hoe hij zich aan zijn seksuele impulsen kon onttrekken. Hij zocht daarvoor al in 1973 hulp bij een psychiater en later bij de Riagg, maar men kon hem niet helpen. Eenmaal kaartte hij het aan bij superieuren, en werd toen zèlf seksueel benaderd.

Deursem zit inmiddels in de WAO, hij is om psychische redenen - depressiviteit - volledig afgekeurd.

“Hoe moet het nu verder?” vraagt de president hem.

“Ik hoop dat ik weer de moed zal vinden om werk te zoeken. Ik moet psychisch weer met beide benen op de grond komen.”

“Zo ver is het nog niet?”

“Anders was ik niet in behandeling.”

Mr. H. den Os, de procureur-generaal (de aanklager bij het gerechtshof), heeft het allemaal met gemengde gevoelens aangehoord. Het klinkt hem kennelijk iets te soft in de oren. Hij vaart met overgave uit, alsof hij nooit meer thuis wil komen.

“Wat zou het leuk zijn geweest als we hier gehoord hadden dat het met die kinderen goed gaat. Toen ik hoorde dat hij in beroep ging, dacht ik meteen: man, waarom doe je dat, ontstaat dan niet de indruk dat de klachten van de kinderen onjuist zijn? Hij gaat in beroep omdat zijn therapie moet doorgaan. Hadden we niet mogen verwachten dat hij eerder bij zijn psychiater had aangeklopt en gezegd: ik zit aan de pik van deze jongetjes, het moet afgelopen zijn?”

Van de werkstraf waar Deursem om vraagt, wil Den Os niets weten. Hij eist achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk.

“Hij had geen seksuele identiteit omdat hij zelf misbruikt is”, zegt de advocaat. “Met deze delicten probeerde hij zichzelf identiteit te verlenen. Dat is geen rechtvaardiging, maar het biedt wel inzicht.” Hij wijst erop dat Deursem, volgens de psychologische rapportage, geen pedofiel is maar iemand met een sterk verdrongen homoseksualiteit. “Dat is van belang omdat bij pedofielen de kans op recidive groot is.”

Deursem krijgt het laatste woord. “Het gaat goed met de kinderen”, zegt hij tegen de procureur-generaal. “Henk zwaait alweer naar me. Maar het spijt me vreselijk. Ik zal proberen aan mezelf te werken.”

Tien minuten later staat hij buiten. Samen met zijn advocaat en de vrouw en de jonge man van de publieke tribune. De vrouw haakt haar arm in de zijne en zo lopen ze weg - veertien bange dagen tegemoet.

(Het vonnis, twee weken later: een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams