"Carter': popmuziek uit het jaar van de dinosaurus

Carter The Unstoppable Sex Machine maakt opzwepende popmuziek met twee punkgitaren en een ritmebox. “We hebben ons optreden ontdaan van overbodige franje.”

Carter The Unstoppable Sex Machine: de Effenaar, Eindhoven 28/10, Paradiso, Amsterdam 29/10 en Tivoli, Utrecht 30/10.

Een gezonde dosis opportunisme kan het Londense popduo Carter The Unstoppable Sex Machine niet worden ontzegd. Vorig jaar haakten Jim Bob en Fruitbat dankbaar in op de Europese eenwordingsgedachte met 1992: the Love Album, dat met veel poeha in Brussel werd gelanceerd. Ditmaal voorvoelden ze de ophef rond Jurassic Park, en siert een vrolijk lachende dinosaurus de verpakking van hun vierde cd Post Historic Monsters. “Je kunt onze muziek niet los zien van de tijd waarin ze wordt gemaakt,” vindt Jim Bob, die zijn ware naam Jim Morrison liever niet gebruikt om verwarring met de Doors-zanger te voorkomen. “We kiezen graag een referentiepunt. Later kun je aan de titel van de plaat zien uit welke periode de muziek stamt. 1993 is nu eenmaal het jaar van de dinosaurus.”

Vijf jaar geleden vonden Jim Bob en Fruitbat (ware naam Les Carter) de perfecte formule voor een rockband die ook de hiphopgeneratie moest aanspreken. Ze bezongen de alledaagse realiteit in een snerende Londense tongval en begeleidden zichzelf op twee punkgitaren. Samplers en drumcomputers maakten een ritmesectie overbodig en de twee zanger/gitaristen hadden het rijk alleen, op het podium zowel als in de opnamestudio. Hun muziek is een samenraapsel van alles wat er ooit leuk is geweest aan de Engelse popmuziek, van stampende glitterrock tot machinale discodeunen in de trant van de Pet Shop Boys.

Carter is het stadium van korte broeken ontgroeid, zegt Fruitbat over het wielrennerstenue waarmee ze tot voor kort op het podium stonden. “Iedereen denkt dat we rockmiljonairs zijn geworden, omdat we vorig jaar de eerste plaats in de Engelse album charts hebben gehaald. Ze zien over het hoofd dat er eerst een astronomisch bedrag aan promotiekosten moet worden gespendeerd, voordat je een miljoen cd's kunt verkopen. Toen we onze platen nog zelf uitbrachten, lag dat veel eenvoudiger. We hielden de opnamekosten beperkt en zodra er geld binnen kwam, verdeelden we het fifty-fifty. Uiteindelijk hopen we rijk en beroemd te worden, maar voorlopig stroomt het geld nog niet met wagonladingen binnen.”

Ze hebben geen hoge pet op van de muziekindustrie, die de dood van Freddy Mercury aangreep als startpunt voor een lawine aan Queen-produkten. Liever beschouwen ze zichzelf als onopvallende anti-sterren, die hun ware publiek ontmoeten bij de opzwepende live-optredens. Het publiek in Nederland, Japan of de Verenigde Staten staat doorgaans open voor de typisch Engelse onderwerpen die in Carters uit het leven gegrepen teksten aan de orde komen. “Cheer up, it might never happen,” zingen ze schertsend, “driveby shootings on the streets of Clapham.” Het Britse koningshuis moet het ontgelden in Stuff The Jubilee, dat herinnert aan het sentiment achter God Save The Queen van de Sex Pistols.

“Punk was een doorbraak voor verlegen jongetjes zoals wij,” zegt Jim Bob. “Opeens besefte je dat er niet zo heel veel voor nodig is om een band op te richten. Met drie akkoorden en een oude radio kwam je al een heel eind. Nu wij de wereld rondreizen met twee gitaren en een bandrecorder, moeten we trucs verzinnen om de show interessant te houden. Bij onze vorige tournee werkten we met een groot aantal televisieschermen. Sinds U2 dat idee van ons heeft overgenomen, kunnen we daar niet meer mee aankomen. We hebben ons optreden ontdaan van overbodige franje, zoals de punkgroepen het deden. In de middelgrote zalen waar wij spelen kom je er niet onderuit om het theatrale aspect te benadrukken. We zijn nu veel meer rock & roll dan in de tijd dat we ons verscholen achter rookwolken en flitslicht. Naarmate ons zelfvertrouwen groeit, beginnen we steeds meer op een heavy-metalgroep te lijken.”

    • Jan Vollaard