Universiteit en HBO kunnen in jaar 2000 fuseren

De universiteit moet wetenschappelijker worden en het hoger beroepsonderwijs dient vooral praktijkgericht te blijven. Dat is de boodschap van de nieuwe staatssecretaris van onderwijs M.J. Cohen. Daarmee gaat hij in tegen een langdurige tendens naar samengroei van beide onderwijsvormen. Toch zal Cohens ”wasmiddel' niet werken. Dat ene stelsel van hoger onderwijs komt er.

Sinds enige weken trekt de vroegere rector van de Universiteit Limburg, M.J. Cohen, als staatssecretaris ad interim door het land met de boodschap dat de universiteit weer wetenschappelijker moet worden en het hoger beroepsonderwijs vooral praktijkgericht moet blijven. Hij wil het onderscheid tussen universiteit en HBO opnieuw aanscherpen. Daarmee gaat hij in tegen een beleid van vele jaren dat tendeerde naar een geleidelijke samengroei van universiteit en HBO tot één stelsel van hoger onderwijs.

Een excellente universiteit voor de wetenschappelijk begaafden is op het eerste gezicht een mooi streven. En een breed toegankelijk hoger beroepsonderwijs dat minder duur is dan de universiteit, zou natuurlijk ook mooi zijn. En als studenten dan goed worden voorgeselecteerd, zouden we ook van dat kostbare stapelen van studies - nu al twintig procent van de universitaire instroom - af zijn. Zo bezien is de oplossing die het Hoger Onderwijs en Onderzoekplan 1994 aandraagt een fantastisch wasmiddel: niet alleen beter, maar ook goedkoper.

Het probleem is alleen dat de staatssecretaris een paar veronderstellingen inbouwt die niet kloppen. Daarom deugt zijn oplossing evenmin. Hij laat de tegenstelling theorie en praktijk samenvallen met het verschil in niveau tussen universiteit en HBO. Dat niveauverschil wordt dan verder benadrukt doordat de weg van VWO naar universiteit een jaar langer is dan die van HAVO naar HBO. Bovendien levert die weg een in Nederland bruikbare titel en dus meer status op. En voor de betere student is er na het doctoraal uitzicht op een tweede-fasestudie. Als men dan ook nog zorgt dat universiteiten beter worden gefinancierd dan het HBO, is zonneklaar dat iedereen naar de universiteit wil, welke maatregelen ze in Zoetermeer ook uitdenken.

Het wasmiddel van professor Cohen zal dus niet werken. Wat dan? Gewoon terug naar de koers die we al sinds een jaar of twintig volgen: op weg naar één stelsel van hoger onderwijs. Is dat dan wel uitvoerbaar en betaalbaar? Ja, want in dat ene stelsel worden foute keuzes van studenten makkelijker hersteld, kunnen studenten gaandeweg weer nieuw keuzes maken en is stapeling van studies niet meer nodig. Het oude standsverschil wordt bovendien afgezwakt en dus zal de neiging bij studenten afnemen om het onbereikbare te willen.

Veel belangrijker nog is dat de heilloze tegenstelling tussen excellente theorie en goedkope beroepsgerichtheid wordt opgeheven. Dat onderscheid is nu al kunstmatig. Het HBO bevat ook theoretische elementen en de universiteit omvat vanouds een groot aantal beroepsopleidingen. Er is op veel terreinen sprake van een schijnbare tegenstelling die alleen kan worden opgeheven binnen één stelsel. Net zoals dat in Angelsaksische landen al veel langer gebruikelijk is. Laat ik een poging wagen dat stelsel te schetsen.

In het jaar 2000 zouden de Universiteit Utrecht en de nu in staat van fusie zijnde Hogeschool van Utecht formeel één instelling kunnen vormen met veertigduizend studenten. Na een paar jaar samenwonen op de Uithof hebben zij net voor het einde van de eeuw besloten hun opleidingen, hun personeel en expertise, hun gebouwen, hun apparatuur en andere voorzieningen samen te voegen om zo een instelling te vormen die qua omvang lijkt op tal van Amerikaanse zusterinstellingen. Zo is een instelling ontstaan met een grote variatie van mogelijkheden voor onderwijs en onderzoek.

Zijn er binnen die ene instelling niveauverschillen mogelijk? Ja, ik denk dat er meer verschil zal zijn dan nu. En dan niet alleen in tempo en niveau, maar ook in gerichtheid. Een groot voordeel is in ieder geval dat de dingen weer bij hun naam genoemd kunnen worden. De modale student tandheelkunde volgt dan gewoon een beroepsopleiding met een wetenschappelijk randje. De student ”algemene sociale wetenschappen' of ”algemene letteren', kan na drie jaar gewoon een - internationaal bekend - diploma ”Bachelor of Arts' krijgen zonder al te veel wetenschappelijke pretenties. De excellente wetenschapper daarentegen koerst snel af op zijn wetenschappelijke titels (eerst Master, dan doctor).

Naast die onderscheiden routes zal er vooral veel grensverkeer zijn. De theoretisch geïnteresseerde HBO-studenten economie van nu hoeft niet meer te stapelen, maar kan al halverwege zijn studie modules in een meer wetenschappelijke richting volgen. De zich nu ongelukkig voelende (universitaire) student geschiedenis of politicologie die eigenlijk journalist wil worden, mag dan gewoon een klein of groot bijvak (een ”minor' of een ”major') volgen aan de journalistieke beroepsopleiding van dezelfde universiteit in dezelfde stad. En docenten aan HBO en wetenschappelijk onderwijs kunnen zorgen dat theorie en praktijk elkaar op een zinvolle wijze beïnvloeden, zowel in onderwijs als in onderzoek.

Het is niet eens zo moeilijk om het huidige binaire systeem om te bouwen tot één stelsel van hoger onderwijs. We maken eerst de afspraak dat we op den duur willen samengaan. Vanaf het moment dat die afspraak is gemaakt, doen we geen dingen meer die de toekomstige samenwerking belemmeren. Positiever gezegd: we zetten een premie op vormen van samenwerking die vooruitlopen op de fusie in het jaar 2000.

Maar hoe moet het dan met het verschil in vooropleiding tussen HBO en wetenschappelijk onderwijs? Geen nood. We spreken af dat iedere student met een VWO-diploma forfaitair 42 studiepunten krijgt bij het begin van zijn studie. Na drie jaar hoger onderwijs heeft de door tempobeurzen voortgedreven VWO-student dan 42 + 126 = 168 studiepunten. Daarmee is het bachelors-diploma behaald. De huidige HAVO-leerling heeft een vooropleiding die een jaar korter is en moet dat compenseren in het hoger onderwijs. Hij zal vier jaar nodig hebben om zijn 4 x 42 = 168 punten en daarmee zijn bachelors te halen.

Iedere student die zijn best doet, kan dus negen jaar na de start in het voortgezet onderwijs een BA halen (6 + 3 jaar of 5 + 4 jaar). Maar is elk BA dan evenveel waard? Formeel wel, maar in de praktijk zullen er veel verschillen zijn in zwaarte en richting van de vakken die iemand doet. Dat zal onder andere blijken uit de instroom-eisen die per moduul gelden. Wie allemaal makkelijke, inleidende modules kiest krijgt tenslotte wel een BA, maar ieder die op de achterkant van het diploma kijkt, weet wel wat voor vlees hij in de kuip heeft.

Voor de betere student zijn er - na een gedegen selectie - vervolgens doorstroommogelijkheden. Afhankelijk van het vak en de kwaliteit van de student vergen die programma's nog één à twee jaar. Globaal zijn er twee soorten vervolgprogramma's: wetenschappelijke, nu echt excellente programma's voor de theoretische bollebozen. En beroepsgerichte programma's die vergelijkbaar zijn met die van de (post) graduate professional schools in Agelsaksische landen.

In feite zijn we nu al op weg naar een dergelijk systeem. Laat ik de School voor Journalistiek en Voorlichting te Utrecht als voorbeeld nemen. Daar bieden we vierjarige programma's aan voor ongeveer duizend studenten, die voor driekwart uit het HAVO en voor een kwart uit het VWO afkomstig zijn. Je ziet dat er enig niveau- en tempoverschil is tussen die twee groepen. Ook na hun studie is er enig verschil in hun verdere loopbaan, bij voorbeeld doordat VWO-types eerder aan een vervolgstudie beginnen.

Daarnaast biedt de school post-doctorale parttime cursussen aan voor afgestudeerden van universiteiten. Die cursussen duren een jaar. Volgend jaar komt daar een Engelstalige variant bij die tot een masters-titel leidt. Ten slotte is er een groot aantal kortere cursussen voor na- en bijscholing. In totaal zitten daar nog eens zevenhonderd cursisten, meest mensen met een eerdere opleiding in het hoger onderwijs.

Inmiddels zie je de school groeien in de richting van een breder stelsel van hoger onderwijs. De geïsoleerde ”School voor de Journalistiek' van vroeger vormt nu één faculteit met de ”School voor Communicatiesystemen', een opleiding op het raakvlak van informatica en organisatie. Samen zijn zij - binnen de zich nu uitkristalliserende Hogeschool van Utrecht - aan het fuseren met andere opleidingen op het terrein van de communicatie. In toenemende mate werken al deze opleidingen samen met universiteiten. Vaak zijn dat nog buitenlandse universiteiten, omdat het nu makkelijker is samen te werken met Engelse of Amerikaanse instellingen dan met instellingen binnen dezelfde stad. Maar ook dat laatste groeit.

Ook andere faculteiten (de educatieve, de economische, de sociale, de gezondheids- en de technische) ontwikkelen steeds meer vormen van samenwerking. Dat ligt ook voor de hand want de eerstegraads-lerarenopleidingen van HBO en wetenschappelijk onderwijs kunnen heel goed van elkaar profiteren. Net zoals de opleiding mondhygiëne en de tandheelkundige opleiding veel voordeel kunnen hebben van het nabuurschap op de Uithof. Dat nieuwe veelzijdige systeem komt er dus wel.

Straks zit staatssecretaris Cohen weer veilig op zijn leerstoel in Maastricht. Als dan in het jaar 2000 (het kan iets later worden) de nieuwe, verbrede universiteit van Utrecht wordt geopend, nodigen we hem uit voor het doorknippen van het lint dat nu nog HBO en wetenschappelijk onderwijs scheidt.