Tekort 1,7 mld verwacht bij uitvoering van AWBZ

DEN HAAG, 25 OKT. De Ziekenfondsraad verwacht voor 1994 een tekort van ruim 1,7 miljard gulden bij de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Belangrijke oorzaak is het niet toepassen van de inflatiecorrectie. Als gevolg daarvan zullen AWBZ-premies volgend jaar nog verder omhoog gaan.

Dat blijkt uit de oktoberbrief die de Ziekenfondsraad deze week naar het kabinet stuurt. De AWBZ verzekert iedereen tegen de kosten van verstrekkingen als geneesmiddelen, psychiatrische hulp, pleegzorg, zwakzinnigenzorg, hulpmiddelen en revalidatie.

Voor dit jaar raamt de Ziekenfondsraad het tekort in de AWBZ op 1,3 miljard gulden. In juni ging de raad nog uit van een tekort van ruim zeshonderd miljoen. Voor volgend jaar is het beeld nog ernstiger, aldus de Ziekenfondsraad. Het dekkingstekort zal eind 1994 negenhonderd miljoen groter uitpakken dan het tekort van achthonderd miljoen waar in juni op gerekend werd en op ruim 1,7 miljard uitkomen.

De tekorten kunnen niet volledig worden opgevangen door de premieverhogingen die het kabinet voor volgend jaar in het vooruitzicht heeft gesteld. Het kabinet gaat uit van een inkomensafhankelijke AWBZ-premie van 8,55 procent (nu 7,5 procent van het premieplichtig inkomen). Om de tekorten te kunnen dekken kunnen de verzekeraars hun vermogen aanspreken of de nominale AWBZ-premies, de vaste bedragen per verzekerde, verhogen. In dat laatste geval zal de nominale premie ongeveer tien gulden per jaar omhoog moeten, circa drie gulden voor het tekort over dit jaar en zes à zeven gulden voor het tekort in 1994.

Niet bekend

De Ziekenfondsraad kritiseert het fiscale beleid van het kabinet. Door telkens in de fiscale sfeer maatregelen te treffen die ten gunste van de belastinginkomsten uitpakken, wordt de rekening van de verkleinde premiegrondslag bij de sociale fondsen gelegd, waaronder de AWBZ, aldus de raad. Dat leidt "onafwendbaar' tot premiestijgingen die niet hun oorzaak vinden in kostenontwikkelingen in de gezondheidszorg.

Wladimiroff: “Een opsporingsambtenaar streeft naar een oplossingspercentage van honderd procent. Hij is bereid daarvoor de grenzen van de wet af te tasten. De taak van de officier was traditioneel de politie aan die grenzen te herinneren: "zo doen we dat niet in Nederland'. Maar in plaats daarvan wordt het OM de juridische buitendienst van de politie, die meedenkt over hoe de grenzen verlegd kunnen worden. Dan wordt er weer zonder toestemming een woning binnengedrongen en illegaal bewijs verzameld en moet de rechter daar een stokje voor steken. En dan krijg je vanuit het OM weer zo'n noodkreet. "Als dit niet eens mag, verliezen we de strijd tegen de misdaad'. Terwijl hun taak is het wetboek te kennen en te handhaven.”