't Was zo'n blij kind

Als ze op haar balkon stond, tegenover me, dan zwaaide mijn oude buurvrouw naar me en ik zwaaide enthousiast terug. Geen grote-mannen-gezwaai, maar meer van een jongetje dat bij oma op bezoek was en met een appel in zijn zak en een zuurbal in zijn mond weer naar zijn moeder gaat. Haar grijze hoofd met de keurige krulletjes schudde ongecontroleerd, omdat er ergens binnenin iets niet goed meer vastzat en ze wiebelde op haar dunne beentjes, omdat verderop ook wat was versleten.

Mijn beide grootmoeders heb ik nooit gekend. Die waren al dood eer ik het daglicht had gezien en mijn moeder stierf op haar 53ste, dus heb ik de aanhankelijke liefde op jaren moeten ontberen. Ik heb vrienden die met moeite hun oude moedertje ergens in een gruwelsilo gaan opzoeken. Dat het liefst met een smoesje uitstellen. Eigenlijk zo'n beetje staan te popelen dat ze doodgaat. Afschuwelijk.

Wat zou ik niet willen geven als mijn moeder er nog zou zijn? Wat zou ik het haar naar de zin maken. Natuurlijk niet met te veel drukte en gedoe of overdaad, maar wel lekker eten en bij elkaar zitten en wat zeuren over dit of dat. Ze zeggen dat oude mensen er niet wijzer op worden, nou, mijn moeder absoluut en zeker wel. Maar waar heb ik het over? Ze zou nu al negentig zijn en zo'n krachtig gestel had ze nu ook niet, anders was ze niet zo jong gestorven.

Een keer op straat vroeg mijn buurvrouw me, omdat het zo glad was, of ik haar even naar de kapper wilde brengen, een halve straat verderop. Toen ik dat had gedaan, was het vanzelfsprekend dat ik haar op een bepaalde tijd weer zou komen ophalen om haar naar huis terug te brengen. Zo is het min of meer aan gekomen tussen ons. Ze moest een lange, moeizame trap op en ik hielp haar. Ik moest bij haar komen zitten aan de tafel met het pluche kleed, met in het midden een eeuwig bloeiende cyclaam. Het was er smoor- en smoorheet want de gashaard stond veel te hoog.

Boven de schoorsteenmantel, in een grote, ovalen lijst, hing de uitvergrote en geretoucheerde foto van een jongetje van een jaar of tien. Een glimlach van de dood over zijn hele wezen. “Dat is mijn enigst kind. Hij is maar tien jaar geworden. Daar kom je nooit meer overheen. Dit was een huis vol leven, want al had ik er maar een, de hele buurt kwam bij ons over de vloer. Boven is de grote zolder. Daar had mijn man een schommel gemaakt. Mijn man had een goeie baan bij de bank. Wim had een spoortrein en een meccanodoos, maar hij was niet verwend. Hij kon heel goed delen en wat missen. Ze lieten vliegers op in het Vondelpark. Mijn man kon prachtige vliegers maken. Als we 's avonds gingen eten, kwam die jongen zo maar bij me op schoot zitten en streelde mijn wang en zei dat ik de liefste mamma van de wereld was.

“Natuurlijk was mijn man ook gek op hem. Iedereen trouwens, want het was gewoon een engel van een kind. 's Morgens bij het opstaan had hij al het hoogste woord. Hij kwam zingend de trap af. Hij kon goed meekomen op school. Dat had hij natuurlijk van mijn man, want ik ben amper naar school gegaan omdat er geen geld voor was. We hebben het niet zien aankomen. En toch moet hij er al een tijdje mee hebben rondgelopen. Op een zondagochtend, dat was op 6 juni, dat kun je nooit vergeten, kwam hij zijn bed niet uit. Hoge koorts. Naar het ziekenhuis. 's Avonds is hij gestorven. Hersenvliesontsteking. Hij heeft hier in de achterkamer gestaan en met alle kinderen uit de buurt hebben we hem begraven.

“Mijn man is er nooit overheen gekomen. Niet dat hij echt dronk maar hij dronk te veel. Mijn man was al geen opgewekt persoon. Hij is er aan kapot gegaan. Ik had ook verdriet. Natuurlijk. Ik wilde wel dood. Maar wij zijn van huis uit anders. We zijn opgewekter. Mijn man nam me dat kwalijk. Toen hij met die grote foto thuiskwam en die daar ophing had ik eigenlijk willen zeggen dat hij dat niet had moeten doen. Die foto lijkt niet ècht echt. Hij lachte altijd. Hij zong altijd. 't Was zo'n blij kind. Hier kijkt hij zo ernstig. Nee, ik heb nooit gevonden dat dat onze Wim is.”

    • Jean-Paul Franssens