Nordholt hamert zonder ophouden op falen overheid

AMSTERDAM, 25 OKT. Hoofdcommissaris E. Nordholt heeft vanaf zijn aantreden, in 1987, als korspschef van de Amsterdamse politie stevige uitspraken niet geschuwd. Regelmatig heeft hij forse kritiek geuit op "Haags' beleid, dat volgens hem een samenhangende visie ontbeert. Bij zijn installatie laakte Nordholt het politiebeleid van de overheid, dat de grote steden benadeeld. De overheid toont te weinig visie, het beleid ondersteunt het werk van de politie onvoldoende, aldus Nordholt.

Op een politiesymposium in 1987 haalde Nordholt ongekend fel uit naar de “amtelijke schijnwereld”. In een discussie met premier Lubbers in 1989 hekelde Nordholt de “onbalans” tussen wat politieke partijen naar buiten brengen en datgene waar ze werkelijk inhoudelijk mee bezig zijn. “Hoe kunnen partijen criminilateitsbestrijding inzet maken van verkiezingen zonder dat ze naar mijn mening enige visie daarop hebben?”

In 1991 baarde Nordholt opzien met de uitspraak dat de kans op rassenrellen in Nederland snel toenam. Europa wordt overspoeld met vreemdelingen, zegt hij, met name uit Afrika. In Amsterdam alleen al liepen volgens Nordholt 30.000 illegalen rond, de jeugdigen onder hen namen 90 procent van alle overvallen, straatroven en inbraken voor hun rekening. “Ze gaan jattend, stelend, rovend en dealend door het leven”, zei Nordholt tegen het Algemeen Dagblad. Zij zouden moeten worden uitgezet, maar een uitsluitend harde aanpak zou “ongelukken” veroorzaken. Nordholt wil een stevige aanpak van de werkgelegenheidproblematiek. “We pakken ze op, ze komen een half jaar in de cel en dan gaan ze de straat weer op, zonder enig perspectief en dan beginnen we weer van voren af aan.”

Januari 1992 klaagde Nordholt dat de politie “de gaten stopt in het minderhedenbeleid die de politiek laat vallen”. Voor de nieuwe "kansarmen', de jonge Marokkanen, Antillianen en Surinamers, moesten volgens Nordholt "effectieve maatregelen' worden genomen. Bij gebrek aan initiatieven vanuit de overheid begon de Amsterdamse politie met een project werkloze jonge Marokkanen aan een baan te helpen. “Als je de zaken niet durft te benoemen keren de mensen zich af van de politiek en krijgen democratie bedreigende, ultra-rechtse groeperingen een kans”, zei hij.

In maart 1992 zei Nordholt, na de ontmanteling van een drugsorganisatie, dat in de Bijlmer “tienduizend”' Ghanezen illegaal zouden verblijven. Het betrof hier weliswaar schattingen, maar deze waren volgens hem nog “voorzichtig”. Een stroom van kritiek volgde, de "schattingen' werden niet waargemaakt. Na de vliegramp in de Bijlmer uitte Nordholt andermaal scherpe kritiek op de manier waarop de rijksoverheid met illegale vluchtelingen omspringt. Hij signaleerde rondom dit onderwerp een “proces van politieke verdringing”.

In juni 1992 vond Nordholt de reacties vanuit de politiek op een "schoonveegactie' van Perron Nul door mariniers in Rotterdam te veel gericht op een veroordeling van de militairen. Hij vond het belangrijker te constateren dat de mariniers “een signaal uit de samenleving hebben gegeven”. Drugsverslaafden moeten hard worden aangepakt, zei Nordholt in het tv-programma Het Capitool.

In februari van dit jaar zegt Nordholt dat de verantwoordelijkheid voor de stijging van de kleine criminaliteit ligt bij Surinaamse en Antilliaanse jongeren. Met name in de Bijlmer heerst volgens hem een “explosieve” situatie. Rellen zoals in Los Angeles sloot hij in Nederland niet uit. Hij hamerde opnieuw op investeringen in werk voor deze jongeren. Kamerleden laken zijn uitspraken. De Kamer is volgens hen volledig van de problemen doordrongen en werkt aan een oplossing, met name wat betreft de Antilliaanse jongeren. Er waren rapporten en "task-forces' in de maak. Nordholt noemde in een reactie daarop de Kamerleden "leuterkonten'. “Rapporten, task-forces. Dat noem je toch niet iets doen?”, verklaarde hij tegenover deze krant. “Ze verwijzen naar rapporten en denken dat dat resultaten zijn.”

Felle reacties kreeg Nordholt kort daarop toen hij de Antilliaanse overheid ervan beschuldigde criminele jongeren in Nederland te “lozen”. De jongeren zouden een enkele reis Amsterdam cadeau krijgen, zodat men daar geen last meer van ze had. Het openbaar ministerie in Willemstad hield het voor onmogelijk en eiste een onderzoek. Nordholt zei dat de Amsterdamse politie over zeker tien getuigenverklaringen beschikte. Een BVD-rapport over deze zaak werd door zowel de Antillen als door Nordholt als positief voor hun eigen argumenten bevonden. Burgemeester Van Thijn van Amsterdam stelde zich na lezing van het rapport zoals altijd achter zijn korspchef op.