Nobelprijs-winnaar over Nederland

Professor Douglass North was dit jaar een van de twee ontvangers van de Nobelprijs economie. Het botte commentaar daarop van de Amsterdamse hoogleraar Van Wijnbergen was dat de jury in Stockholm het kennelijk nog niet aandurfde om de prijs nu eens toe te kennen aan iemand van de jongere generatie. Over het wetenschappelijk werk van winnaar North had Van Wijnbergen niets op te merken. Treffend hoe een éénregelig commentaar drie doelen tegelijk kan bereiken: een belediging voor de winnaar, een gratuite beschuldiging aan het adres van de jury en een brevet van ondeskundigheid voor de jonge Amsterdamse commentator.

Professor North verdient beter, zeker in het land dat hij zo uitvoerig heeft besproken in zijn wetenschappelijk werk. Zowel in zijn bekendste boek "The Rise of the Western World' (met Robert Paul Thomas) als in het nieuwere "Structure and Change in Economic History' komt ons land uitvoerig aan de orde. North schrijft vooral over de Nederlandse economische geschiedenis in de zestiende en zeventiende eeuw. Die interesse in de economische geschiedenis van vóór de industriële revolutie is in overeenstemming met North's uitspraak in zijn "Presidential Address' voor de Vereniging van Economische Historici uit 1974 dat er nog zo veel nuttige lessen zijn te leren uit het verre verleden: “Onze nadruk als economisch historici op de laatste tweehonderd jaar is verkeerd. We zouden veel meer aandacht moeten besteden aan de voorafgaande 98 eeuwen economische geschiedenis dan aan de meest recente twee eeuwen. Onze specialisatie op de huidige tijd maakt ons blind voor het feit dat weinig economische problemen nieuw zijn - de meeste economische dilemma's hebben zich ook in het verleden al eindeloos vaak voorgedaan. Problemen met diffuse eigendomsrechten die al ontstonden in het neolitische tijdperk toen voor het eerst mensen zich als boer op een vaste plaats vestigden, hebben een directe parallel met de moderne dilemma's op milieugebied.”

Douglass North is niet de enige economisch historicus die concludeert dat Nederland het eerste land was waar kapitalisme en stabiele eigendomsrechten leidden tot aanhoudende economische groei. Maar zijn oordeel over de achttiende eeuw wijkt af van de gangbare consensus, met name ook in ons eigen land: “Economische historici hebben soms Holland afgedaan als de laatste grote stadsstaat of zelfs de relatieve achteruitgang van Holland verward met een veronderstelde absolute teruggang. In feite was Nederland het eerste land dat aanhoudende economische groei wist te realiseren. Bovendien gingen de Hollanders na de zeventiende eeuw niet achteruit, maar bereikten ze in de achttiende eeuw een nog hogere welvaart per hoofd van de bevolking. Alleen verhuisde het zwaartepunt van de economische ontwikkeling naar Engeland.”

Zijn optimistische visie op het Nederlandse kapitalisme baseert North vooral op onze lage en voorzichtige belastingpolitiek in de eerste decennia van de Verenigde Republiek (na 1672 werd de belasting veel te hoog). Daarbij kwam dat Nederland een traditie had van helder gedefinieerde eigendomsrechten op land voortkomend uit de inpolderingen in de Middeleeuwen die de boeren alleen maar wilden financieren wanneer zij ook onbetwiste rechten kregen op een deel van de ingepolderde grond. Ten slotte werkten de geografische ligging van Nederland, onze expertise in de zeevaart en het resoluut negeren in Amsterdam van de oude katholieke verbodsbepalingen op woekerrente in het voordeel van de jonge Republiek. Handel maakte ons rijk (daarom is het gevaarlijke pleidooi van prof. Arie van der Zwan voor een "Fort Europa' zo in strijd met onze eigen economische geschiedenis. Gelukkig dat nota bene de vakbeweging er direct moedig afstand van nam).

Hoe kon het kleine Nederland een bevrijdingsoorlog winnen van het veel groter en machtiger Spanje? North schrijft: “In Spanje (en Frankrijk) had de staat behoefte aan steeds hogere inkomsten. De regeringen verkwanselden eigendomsrechten en economische vrijheden voor hogere belastingopbrengsten. Frankrijk en met name Spanje leden onder de gevolgen in de zeventiende eeuw.” In Nederland, daarentegen beslisten de staten-generaal vanaf 1463 over vorm en tarief van de belastingen. “De samenstelling van de staten-generaal bevoordeelde wetgeving die bevorderlijk was voor handel en nijverheid. Bovendien waren de Hollanders bereid om te betalen voor deze bescherming van hun eigendomsrechten door middel van een hele reeks lage belastingen op de handel. Ieder afzonderlijk belastingtarief was altijd betrekkelijk laag. De Habsburgers sloten zich aan bij de wensen van de staten-generaal zolang maar de totale belastingopbrengst voldoende was.”

De analyse van Nobelprijswinnaar North sluit naadloos aan bij het hoofdstuk over de Nederlandse belastingen in de zestiende eeuw in het schitterende boek van Prof. Grapperhaus: “Belasting, Vrijheid en Eigendom”. Grapperhaus, zelf oud-staatssecretaris van belastingen en hoogleraar fiscale economie, beschrijft de opstand van de Nederlanden tegen Spanje vooral als een twist over de vraag of de staat automatisch steeds hogere belastingen mag eisen, dan wel iedere keer instemming behoeft van de staten-generaal voor vorm en tarief van de belastingen. Alva wilde de tiende penning invoeren om niet ieder jaar afhankelijk te zijn van de medewerking van de Staten, maar die gehate nieuwe belasting werd het kristallisatiepunt voor de opstand onder leiding van Willem van Oranje en bracht ons uiteindelijk de onafhankelijkheid en de spectaculaire welvaart van de zeventiende eeuw.

Ook de Nederlandse landbouw maakte enorme vorderingen in de zeventiende eeuw. Douglass North schrijft: “De Nederlanders waren pioniers in de introductie van nieuwe landbouwtechnieken; de oorzaak was specialisatie en beter gebruik van land en mensen, niet de introductie van nieuwe technologie.” (Les voor vandaag: herscholing en arbeidsmarktbeleid zijn nuttiger dan overheidssteun aan bedrijven voor hun investeringen). Nederland was sterk voor vrije internationale handel, zodat druiventeelt en het houden van bijen langzamerhand verdwenen naar andere landen, terwijl Nederland en Vlaanderen zich specialiseerden in bijvoorbeeld, vlas, hop en hoogwaardig graan voor de bierbrouwerij. “De landbouw werd zo gespecialiseerd dat in Nederland een markt ontstond voor mest om het land vruchtbaar te maken.”

Gewone historici generen zich tegenwoordig om hun lessen te trekken uit de geschiedenis. De tijd van Toynbee en de Durants is helaas voorbij en historici lijken zich te beperken tot het vertellen van verhalen zonder de pretentie om hypotheses te toetsen. Economische historici zoals Douglass North daarentegen proberen de neo-klassieke economische theorie toe te passen op historische gegevens en proberen juist wél conclusies te trekken van blijvend belang. De interesse van North gaat vooral uit naar de efficiency van eigendomsrechten en het belang van economische vrijheid en lage belastingen. Zijn belangrijke werk wordt druk geciteerd door andere historici zoals Joel Mokyr en Jan de Vries die ook schrijven over de economische geschiedenis van Nederland. North heeft laten zien hoe economische theorie kan helpen om geschiedenis te verheffen van kunst tot wetenschap. Zijn Nobelprijs is dubbel en dwars verdiend. Speciaal in Nederland waarover hij zoveel heeft geschreven zouden jong en oud voor hem moeten applaudisseren.

    • E.J. Bomhoff