Kunsthistoricus schrijft boek over Belgische frietcultuur; "Belgen zijn frites-schuw'

"De frietkotcultuur; het laatste boek over België' is uitgegeven bij Loempia (die ook Kamagurka en Herr Seele uitgeeft) en vanaf vandaag te koop. ƒ 29,50/495 BF.

“Frieten!

Fritten! Luchtig opgeschudde frietjes, met fijn zout bestrooid! Grote honger hebben, en dan thuis fritten krijgen. Op straat lopen met een frietzak in de hand! Tot zes uur op de lappen gaan, en nog een frietkot open vinden!''

Paul Ilegems, in het dagelijks leven docent kunstgeschiedenis in Antwerpen, heeft al jaren een rondreizend frites-museum. Nu heeft hij over deze lekkernij een verhandeling geschreven: De frietkotcultuur; het laatste boek over België.

Afgelopen week werd het boek gepresenteerd. Ilegems zei bij die gelegenheid: “Het boek heeft een satirisch karakter, maar de vele dingen die erin staan, zijn correct. Frietkoten intrigeren me door hun eigenaardigheid, kleurigheid en de volkse aspecten. De ondertitel "Het laatste boek over België' heb ik eraan gegeven omdat er al zoveel over België is geschreven; nu dus ook over Belgen en frites. Daarna is er niets meer aan toe te voegen.”

Als een soort Don Quichotte neemt de getergde Vlaming het op voor dit "kleffe volksvoedsel'. Hij geeft frites-recepten en schrijft over frites en geschiedenis, taal en literatuur. De verhandeling begint met een opsomming van de namen die in frietkoten (met één t: “kot gaat als slot, niet als pot”) worden gebruikt: frites, frieten, fritten, pomfrit en in dure restaurants: pommes apille, pommes allumettes, pommes pontneuf.

Zelf geeft hij de voorkeur aan fritten: “Fritten oogt degelijk en ongerept. De verdubbeling van de t lijkt te suggereren dat de frieten dikker en smakelijker zijn, en de porties veel aanzienlijker.” In het hoofdstuk "Waarom de fritten Belgisch zijn' staat "de ontstaansgeschiedenis': “De bewoners in de Maasvallei hadden de gewoonte kleine visjes te vangen en die gefrituurd te eten... Als er 's winters geen visjes voorhanden waren, verving men ze door reepjes aardappel.” Een foto van het oudst bekende frietkot, dat langs kermissen trok, dateert van 1891. Eigenaar Fritz - l'Inventeur de la Friture - verkocht toen al kleine en grote porties (5 en 10 centimes).

Het boekje bevat frietkotnamen in Vlaanderen: 't Loketje, Congo, Jef Patat, Sun Frit, en in Wallonië: Flash Frit, Anquetil. Maar ook nieuwe snacks (samourai, cripto's, kippets) en sauzen (tomagrec en mammoetsaus) ontbreken niet. Vlamingen kennen ook bijpassende zegswijzen: Ga patatten planten (loop heen); Patat zijn (stomdronken): Patattenzak (wijd, vormeloos kledingstuk); Eruit zien als een afgegoten patat (waterig, katerig).

Ook de vorm wordt niet verwaarloosd. Er blijken vijf typen frietkoten te zijn: de barak, de caravan of bus, de frituurwagen, de chalet en de frietannex. “Het baraktype is geheel door zijn uitbater geconcipieerd en op een droge zaterdagmiddag met de hulp van zijn schoonbroer ineengetimmerd”, aldus Ilegems. Het caravan- of bustype wordt aangetroffen “op wegkwijnende industriegebieden en sterk geproletariseerde vakantieoorden”.

Ilegems hekelt de onpersoonlijke fastfood-restaurants: “Men waant zich niet op aarde, maar in een ruimteschip... de klant hoeft zich niet af te vragen of zijn buur misschien iets beter bedeeld is, want in fastfoods is alles voor iedereen gelijk - het is communisme naar Amerikaans model.” Vervolgens schetst hij hoe lekker je kunt knoeien met een overvolle zak patat en sausklodders; "droogkuiswinkels' hebben hun bestaan deels te danken aan cliëntèle die daarvan houdt. Ook pogingen om de frites-aanmaak te automatiseren (Frites-o-Matic en Frit-Bar) vallen bij hem in ongenade.

Er staan vele foto's in het boekje: advertenties met Eddy Merkx en Manneke Pis, een schuifpuzzel, een frites-snijder “die een doek van Mondriaan reproduceert”, een LP met Belgenmoppen (frites-letters op de hoes), een auto die 180 km per uur rijdt op frituurolie en een krantenfoto van een kot dat met een bulldozer is platgewalst: "Amoureuze afrekening in Drongen'.

Ilegems vindt de Belgen frites-schuw: “De Belg wenst over het frietkot geen discussie aan te gaan, hij heeft het verdrongen”, en: “Wie een postkaart wil sturen waarop een frietkot prijkt mag zich suf zoeken.”

Hij roept op om friet en kot niet langer weg te moffelen, maar tot nationaal symbool te benoemen. Uit kranteartikelen als "Frietkot is geen monument' blijkt echter dat steeds meer uitbaters op last van de overheid moeten verdwijnen. Volgens de krant De Morgen zijn er in Antwerpen nog maar achttien over: “En dan mogen we niet klagen want in Brussel staan er nog maar acht.” De schrijver betreurt de jacht op frietkoten die geen spelregels kent en niet seizoengebonden is, terwijl ze het symbool zijn van het planologisch anarchisme in België, hét kitschland van Europa.

Het boekje heeft een dubbele verhaallijn, die volgens Ilegems, net als vele frietkoten, met elastiek aan elkaar hangt. Zo ziet hij het frietkot als metafoor voor heel België, duidt hij op de Belgische identiteitscrisis en haalt Vlamingen én Nederlanders over de hekel: Nederlanders zijn heel, héél raar. Via uitweidingen over geschiedenis, taal (gemangeld tussen Fransen en Nederlanders) en planologie brengt hij beide verhaallijnen samen: Het ontstaan van Euro-België met Brussel als hoofdstad. Om aldus te besluiten: “In het Europa der Belgen zal het frietkot zegevieren.”

    • Lex Veldhoen