JIRI HAJEK 1913 - 1993; Diplomaat en dissident

In Praag is vrijdag na een korte ziekte op 80-jarige leeftijd Jir Hájek overleden, jurist, oud-ambassadeur, oud-minister, voormalig kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede en vanaf de oprichting in 1977 een van de leiders van de mensenrechtenbeweging Charta 77.

De meeste leiders van Charta kwamen uit de culturele en wetenschappelijke hoek. Hájek was een uitzondering: hij was een politicus, die in 1968 bij de inval van de legers van het Warschaupact op het hoogtepunt van een diplomatieke carrière stond. Anders dan de meesten van zijn collega's weigerde Hájek het hoofd in de schoot te leggen en zich in zijn gedwongen pensionering passief op te stellen. De magere, wat verlegen man met een bril met glazen als jampotbodems kreeg tien jaar en langer in zijn woning aan de Kosatcová ulice in Praag de politie voor de deur, maar dat heeft hem nooit afgeschrikt: wie door dat cordon heendrong was welkom, want Jir Hájek weigerde te zwijgen.

In tegenstelling tot een man als Václav Havel liep Hajek, al vóór de oorlog sociaal-democraat en in de oorlog gevangene van de Duitsers (twaalf jaar tuchthuis kreeg hij in 1940), nog jarenlang warm voor het nieuwe bewind dat in 1948 aan de macht was gekomen. Na de gedwongen fusie van communisten en sociaal-democraten was hij in 1948 zelfs lid geworden van het Centraal Comité van de nieuwe partij. Tot aan zijn benoeming tot ambassadeur in Londen in 1955 werkte Hájek als hoogleraar in de geschiedenis van de internationale arbeidersbeweging en in de internationale betrekkingen. Hij werd onderminister van buitenlandse zaken onder de stalinist Václav David, vertegenwoordigde zijn land bij de VN en werkte als minister van onderwijs voordat de Praagse Lente begon en hij in april 1968 als minister van buitenlandse zaken toetrad tot de regering van Alexander Dubceks premier, Oldrich Cernik.

Zijn verleden is Hájek na 1968, toen de Lente een Winter was geworden, niet door iedereen in de oppositie in dank afgenomen: velen vonden hem medeschuldig aan de onderdrukking in de jaren vijftig. Milan Kundera, ook hij aanvankelijk een aanhanger van het communisme, schreef later: “De criminele regimes bestonden niet uit criminelen maar uit enthousiastelingen, overtuigd dat ze de ware weg naar het paradijs hadden ontdekt. Ze verdedigden die weg zo dapper dat ze velen moesten executeren. Later werd duidelijk dat er geen paradijs was en dat de enthousiastelingen dus moordenaars waren.” Hájek was een van hen.

In 1968 heeft Hájek zijn korte ministerschap voornamelijk besteed - moeten besteden - aan het geruststellen van de allengs sceptischer buren in Moskou, Oost-Berlijn en Warschau, die de hervormingen in Praag in steeds scherpere termen aanvielen. Veel succes heeft hij daarbij niet gehad: al in een vroeg stadium werden de hervormers in de internationalistische ban gedaan en daar hielpen geen pleidooien voor redelijkheid of het recht op de eigen Tsjechoslowaakse soevereiniteit aan.

Hájek bevond zich in Belgrado toen de Russen kwamen. Hij vloog naar New York, ondanks dringende oproepen naar Praag terug te keren, en protesteerde in de Veiligheidsraad tegen de inval. Terwijl de Russen in Praag vergeefs trachtten een quisling-regime op poten te zetten, hield Hájek in New York de internationale gemeenschap voor dat buitenlandse troepen niet op vreemd grondgebied thuishoren, “zelfs niet als ze uit bevriende naties komen”, dat de inval de Tsjechoslowaken “diep beledigd en vernederd” had, en dat die inval “het grootste gevaar voor de zaak van het socialisme” en “een enorme en tragische vergissing” was.

Een maand later keerde Hájek naar Praag terug - om af te treden. Een half jaar later werd hij uit de partij gezet en in 1972 met pensioen gestuurd. Nog vier jaar later royeerde de Academie van Wetenschappen hem.

Toen was Hájek inmiddels aan een nieuw leven begonnen: dat van de andersdenkende die protesteert. Bijna zeven jaar had hij gezwegen toen hij in 1975 in een brief aan partijchef Husák de normalisatie hekelde. Een jaar later stond hij aan de wieg van Charta en met Václav Havel en de filosoof Jan Patocka, die kort daarop bezweek aan een verhoor door de politie, vormde hij het eerste drietal woordvoerders van de nieuwe organisatie. Van 1988 tot 1992 was hij voorzitter van de Tsjechoslowaakse afdeling van de Internationale Helsinki Federatie.

Gearresteerd is Jir Hájek nooit - wel getreiterd: tien jaar lang werd zijn huis bewaakt. Zijn zoon werd niet tot de universiteit toegelaten en moest aan het werk als hulparbeider, tot hij na druk van mensen als Willy Brandt en Bruno Kreisky in augustus 1986 naar Oslo mocht vertrekken, zij het pas na zijn Tsjechoslowaakse staatsburgerschap te hebben opgegeven. Het zou toen nog twee jaar duren voordat Jir Hájek hem mocht opzoeken, want kwijt wilde het regime hem wel, maar alleen als hij beloofde niet terug te keren. En dat plezier heeft Jir Hájek de communistische machthebbers nooit willen doen.

Met politiek heeft Hájek zich de laatste jaren weinig meer ingelaten. Wel hekelde hij eind vorig jaar in een vraaggesprek met deze krant de deling van Tsjechoslowakije als “ondemocratisch”. De "scheiding' tussen Tsjechië en Slowakije, aldus Hájek, is het werk van politici “die niet verder keken dan korte-termijn-doeleinden en volkomen negeerden wat de mensen ervan dachten.”

    • Peter Michielsen