HANS KOOLMEES OVER Rotterdamse muziek

“Het begon doordat ik erover liep te mopperen. Ik dacht: ik ben componist, ik woon in Rotterdam, ik werk hier, maar ik had net zo goed heel ergens anders kunnen wonen. Daarover sprak ik met anderen en toen bleek dat ik niet de enige was die met dit onbehagen rondliep.”

Hans Koolmees (33) studeerde orgel en compositie (bij Klaas de Vries) aan het Rotterdams conservatorium. Hij schreef ondermeer Posjlost voor koor, twee klarinetten, slagwerk en contrabas, op teksten van Gogol; Games voor mezzosopraan, twee slagwerkers en harp, in opdracht van het Rotterdamse ensemble The Lewd Fat Bells; en Greiv, voor trombone en strijkkwartet. Koolmees: “Dat Greiv is de fonetische spelling van het Engelse "grave'. Het verwijst naar de drie betekenissen van het woord: graf, ernstig en graveren. Het is een ernstig stuk dat, zoals bijna alle goede muziek, met de dood te maken heeft. Bovendien is het een polyfoon stuk, met veel scherp geëtste lijnen. Ik heb gekozen voor de fonetische spelling, omdat dat er goed uitziet. Het is grappig dat geen sterveling nog weet hoe je iets uitspreekt als je de fonetische spelling gebruikt.”

Koolmees componeert voor opvallende bezettingen, die hij zelf "nogal eigen' noemt. “Negentig procent van wat een componist doet is al eens opgeschreven,” zegt hij. “Het gaat erom daar een eigen draai aan te geven.”

Uit onbehagen met het muzikale klimaat in Rotterdam richtte Koolmees samen met vijf andere Rotterdamse componisten (Eric de Clercq, Bart de Kemp, Tom Riedstra, Arthur Sauer en Marc Verhoeven) het Rotterdams Componisten Front op. Daarmee namen zij het heft in eigen handen. Op 14 oktober gaven ze hun eerste concert in de Rotterdamse Zaal De Unie, op 28 oktober rukt het front op naar Amsterdam, waar hetzelfde concert in De IJsbreker wordt herhaald.

“Veel van onze klachten hadden betrekking op de Rotterdamse Kunststichting,” aldus Koolmees. “Dat is een vrij uniek instituut - zo uniek, dat ik er niks van begrijp. Inmiddels heeft het Componisten Front subsidie van de Kunststichting gekregen, maar nog steeds verwijt ik ze gebrek aan nieuwsgierigheid. Zo was er niemand van de "sectie muziek' aanwezig bij ons concert in De Unie, een concert dat we met hun geld hebben georganiseerd.

“Er is een tijd geweest dat die hele sectie, zeven leden plus een stafmedewerker, uit Amsterdammers bestond. Ook de nieuwe stafmedewerker, Theo Muller, woont weer in Amsterdam. Ik geloof best dat ze hun werk goed doen. Maar als ze de deur achter zich hebben dichtgetrokken om naar huis te gaan, zal het ze verder een zorg zijn, wat er in Rotterdam gebeurt.

“Ik ben in Abcoude geboren, dus eigenlijk meer een Amsterdammer, maar ik zou toch niet graag uit Rotterdam weg willen. De dingen zijn hier opener, het is meer een braakliggend terrein. De codes, de spelregels liggen niet zo vast als in Amsterdam.

“Ook in de muziek is dat te horen, al is het moeilijk om de verschillen tussen Amsterdam en Rotterdam aan te wijzen zonder in cliché' s te vervallen als "no-nonsense' en "gewoon werken'. Bovendien worden die woorden al te gemakkelijk vertaald in een soort muzikale nuchterheid, en dat bedoel ik zeker niet. De muziek van de Rotterdammers is in ieder geval zeer bevlogen.”

    • Paul Luttikhuis