De bijna-nationalisering van de omroep

In zijn bestrijding van de kritieken van mr. P. van der Kroft en mr. E. Dommering op het jongste wetsontwerp tot wijziging van de Mediawet maakt mr. B. Geersing, directeur gemeenschappelijke diensten NOS, het zich wat al te gemakkelijk (NRC Handelsblad, 13 oktober). Geersings uitgangspunt luidt: de huidige Mediawet biedt de publieke omroep onvoldoende mogelijkheden om succesvol te opereren in de omroep-oorlog in Nederland en Europa.

Volgens Geersing biedt het nieuwe wetsvoorstel die mogelijkheden wel: de bestuurlijke structuur voor de publieke omroep wordt aangepast, netbesturen worden geïntroduceerd waardoor de besluitvorming per zendernet verbetert en door een betere programma-coördinatie tussen de netten verbetert de publieke omroep zijn totale presentatie.

Geersing stelt: “In feite ondersteunt het wetsvoorstel het reeds binnen het bestel in gang gezette veranderingsproces.” Een merkwaardige stelling, want hiermee ondergraaft hij zijn eigen uitgangspunt. Als onder de huidige Mediawet zo'n veranderingsproces niet mogelijk zou zijn, hoe kan het proces dan reeds in gang zijn gezet?

De realiteit is dat de huidige Mediawet de omroepen geen strobreed in de weg legt als zij vrijwillig meewerken aan efficiënte en slagvaardige besluitvorming op zendernetniveau of als zij een perfecte programmacoördinatie op en tussen de netten willen.

Het probleem ligt dus niet bij de huidige wetgeving, maar in de selectieve wijze waarop de omroepen daarvan gebruik maken.

De concurrentie van de twee andere publieke netten ligt menige omroep, naar het lijkt en soms duidelijk te beluisteren is, zwaarder op de maag dan die van de commerciële. Je kunt daar begrip voor opbrengen, omdat een op privaatrechteljke verenigingen stoelend bestel dat de bloei van die organisaties in de hand werkt en de afkalving afstraft, daar als het ware om vraagt, maar toch ... Zolang omroepen zich gesteund weten door een wet, die van hen eist dat zij een bepaalde identiteit bezitten, zolang de wet blijft zeggen dat zij zelf vorm en inhoud van hun programma bepalen, als het wetsontwerp daar zelfs nog een schepje bovenop doet door de mogelijkheid open te laten dat een concessie niet wordt verkregen als de minister vindt dat onvoldoende blijkt dat in het programmabeleid de indentiteit van de aanvrager tot uitdrukking komt, dan moet je je afvragen of aan de door Geersing gestelde voorwaarde voor het slagen van het veranderingsproces voldaan kan worden!

Hij schrijft: “Het is bij veranderingsprocessen in alle grote organisatievormen zo, dat zij een breed draagvlak behoeven, willen zij effectief kunnen worden doorgezet.” Die stelling onderschrijf ik graag, maar aan dat brede draagvlak in Hilversum twijfel ik. Neem alleen al de gang van zaken rond de "piekurenredactie' voor Radio 1.

Natuurlijk kan de wetgeven zo'n draagvlak afdwingen. Maar met het nieuwe wetsontwerp gebeurt dat halfslachtig. Enerzijds stimuleert het de samenwerking in de richting van de netidentiteit, anderzijds accentueert het de verenigingsidentiteit nog eens extra. Het zal niet te vermijden zijn dat de rechter straks zal moeten uitmaken wat wel of niet van individuele omroepen kan worden gevergd.

Het ware veel eleganter en duidelijker als de wetgever zelf zou hebben aangegeven wat nu de definitieve keuze is. Want kiezen tussen identiteit en samenwerking is natuurlijk geen juridische, maar een politieke afweging.

Dat de omroepen globaal met het wetsontwerp tevreden zijn hoeft ons niet te verbazen. Het belooft immers voor tien jaar zekerheid. Of die zekerheid nog wat voorstelt als in de loop der jaren de STER-inkomsten toch blijken tegen te vallen en de omroepbijdrage niet meer stijgt dan de inflatie nodig maakt, is moeilijk te voorspellen.

Geersing loopt wel erg luchtig heen over de stellingen van Van der Kroft en Dommering dat het wetsontwerp de overheid in huis haalt. Als dit wetsontwerp ongeschonden het Staatsblad haalt, neemt de greep van de minister op het reilen en zeilen van de omroep aanzienlijk toe. De minister krijgt de bevoegdheid naar eigen oordeel de tienjarige concessies te verlenen. De minister deelt de TV-netten in en beslist daarmee over de mate waarin samenwerking tussen de netbespelers (on)mogelijk zal zijn. De minister bepaalt op hoeveel radionetten een bepaalde zendgemachtigde ten minste moet uitzenden. De minister beslist niet alleen - zoals nu - over de totale omvang van het jaarlijks voor de omroep beschikbare bedrag, maar ook over de onderlinge verdeling daarvan. Terwijl de wet de percentages van de verplichte programmacategorieën cultuur (met als specifiek onderdeel kunst) en informatie plus educatie aangeeft, stelt de minister nog eens vast welk gedeelte van het budget aan elk van die categorieën moet worden besteed. Met die nieuwe bevoegdheden heeft de minister de omroep nog niet genationaliseerd, maar ze heeft wel een zeer stevige voet tussen de deur gezet.

Dat krijgt extra nadruk, als gelet wordt op de samenhang tussen de benoeming van de voorzitter van de Nederlandse Programma Stichting (hij wordt, samen met zes andere leden, door de minister benoemd) en van de voorzitter van de Nederlandse Omroep Stichting (een Kroon-benoeming) en de coördinatiebevoegdheden van laatstgenoemde. Ik vrees dat Dommering terecht signaleert dat deze bestuursstructuur het antagonisme van de deelbelangen zal verhevigen. Dit attentie-sein had wat meer aandacht van Geersing mogen krijgen.

Ik onthoud me van een oordeel over de gewenste financieringsverhouding tussen publieke en marktmiddelen, als door Geersing gegeven. Zij het onder de toevoeging dat, als hij onder "markt' mede verstaat de contributies van de verenigingsleden, zijn 35 à 40 procent markt aan kracht wint. Op één punt moet ik hem teleurstellen. Het vorig jaar aangekondigde noodwetje, dat de sponsoring bij de publieke omroep regelt, ligt nog steeds bij de Raad van State voor advies. Of het niet wenselijk is, dat ook dat ontwerp eerst aan de Tweede Kamer wordt aangeboden opdat beide wetsontwerpen in onderlinge samenhang kunnen worden beoordeeld, laat ik aan de politici ter beoordeling over.

    • A. Geurtsen