Beroepsgeheim dient meer dan particulier belang

AMSTERDAM, 25 OKT. De wettelijk beschermde geheimhoudingsplicht van advocaten, notarissen en accountants werkt in een aantal gevallen als “kamerscherm” waarachter criminele organisaties zich verstoppen. De Amsterdamse officier van justitie mr. M.A.A. van Capelle (met in zijn portefeuille zware criminaliteit) heeft daarom “het openbreken van het beroepsgeheim” van deze beroepsgroepen op zijn justitiële verlanglijstje staan, zo zei hij vorige week in een vraaggesprek met deze krant. Het Amsterdamse parket heeft direct afstand genomen. Maar de geest was uit de fles: waarom dient het beroepsgeheim in de weg te staan aan justiële belangstelling naar panden die via de notaris zes maal op één dag van eigenaar wisselen?

Juridisch gezien is deze stellingname snel afgedaan. Daaraan ligt kennelijk de premisse ten grondslag dat het hier alleen zou gaan om een afweging van het justitiële belang tegen het belang van “bepaalde BV's” - lees: niet de meest frisse onder de rechtspersonen. Het beroepsgeheim van de notaris dient echter méér dan alleen particuliere belangen. De wetgever heeft deze beroepsgroep gevrijwaard van de algemene burgerplicht medewerking te verlenen aan de justitie omdat hij de onbelemmerde uitoefening van deze functie als onmisbaar beschouwt voor het functioneren van onze samenleving. En dit hangt weer samen met de omstandigheid dat de bemoeienis van de notaris dwingend is voorgeschreven bij alle rechtshandelingen die moeten worden voltrokken bij akte.

Daardoor is de notaris van overheidswege een vertrouwensrol toebedeeld in alles wat te maken heeft met familie- , boedel en vermogenszaken. In het geval van de advocaat in strafzaken komt daar nog bij dat een verdachte, zijn cliënt, niet kan worden verplicht bewijs tegen zichzelf te leveren. Het is deze juridische stelregel die ons scheidt van de pijnbank of moderne technologische equivalenten.

Het beroepsgeheim dateert dan ook niet van vandaag of gisteren. Het recht van de notaris (of de advocaat) zich, zoals dat heet, van het geven van getuigenis te verschonen gaat terug op het begin van onze strafrechtelijke codificatie in 1838. Dit verschoningsrecht omvat mede officiële papieren, naaste medewerkers en tegenwoordig beroepsmatige telefoongesprekken. In het geval van het notariaat is daar eigenlijk nooit een vraagteken bij gezet, behalve dan toen een notaris in het voormalig Nederlands-Indië werd geschorst omdat hij geen aangifte had gedaan van een misdrijf waarvan hij ambtshalve kennis had gekregen. Dat geval is inmiddels diep begraven in een vergeelde legger van het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR). In een meer recent verleden heeft de minister van justitie in de zaak van de voortvluchtige Pieter Menten, die werd gezocht wegens oorlogsmidaden, ondubbelzinnig afstand genomen van het afluisteren van de telefoon van zijn raadsman.

Het wettelijk verschoningrecht is de tegenhanger van een wettelijk beroepsgeheim, dat kracht wordt bijgezet door strafsancties. Toch is het verschoningsrecht niet een verschoningsplicht. Het staat de notaris (of advocaat) met andere woorden vrij om de justitie toch te helpen. De ruimte om af te zien van geheimhouding is echter “zeer beperkt”, betoogde mr. J.J.I. Verburg over deze zeldzame casuspositie in een bekroond proefschrift.

Met name de geneeskunde - ook een beschermd beroep - heeft enkele klassieke twijfelgevallen opgeleverd, zoals de epileptische treinmachinist en de syfilistische bruidegom - al zal men in dit laatste geval tegenwoordig eerder denken aan HIV-besmetting. Maar ook hier ligt niet alleen het belang van degene om wiens geheim het in concreto gaat in de schaal, maar ook het belang dat onder het publiek geen twijfel ontstaat aan de geheimhouding van dokters in het algemeen en dus niet de vrees om doktershulp in te roepen.

De wet laat de mogelijkheid open dat de strafrechter (niet een officier van justitie) in geval van kennelijk misbruik het verschoningsrecht doorbreekt. De voornaamste controle is echter toch die van het eigen tuchtrecht waaraan erkende geheimhouders zijn onderworpen.

De accountant is een ander chapiter. In het kader van de fraudebestrijding wordt gewerkt aan een wet die hen verplicht aangifte te doen van verdachte zaken die zij tegenkomen. Deze aanstelling als onbezoldigd opsporingsambtenaar wordt echter fel bekritiseerd. Hun wettelijke controletaak is immers niet los te denken van de toegang tot vertrouwelijke gegevens. De registeraccountants zijn onderworpen aan interne rechtspraak. De basis voor de aangifteplicht werd tien jaar geleden gelegd toen de Hoge Raad een aanspraak op verschoningsrecht afwees.

Opmerkelijk was vooral de motivering van dit ruwe gat dat werd geschoten in een functie die in de moderne maatschappelijke verhoudingen toch met enig recht aanspraak maakt op het predikaat onmisbaar. Ons hoogste rechtscollege overwoog dat de vertrouwensfunctie van de accountant niet eenduidig is. Er is immers “een verscheidenheid” van belanghebbenden: geld- en kapitaalverschaffers van velerlei soort, bestuurders van ondernemingen of instellingen, werknemers en in het bijzonder de ondernemingsraad - en de overheid.

Met name dit laatste belooft weinig goeds voor de klassieke vertrouwensberoepen. Met notariaat en advocatuur zijn ook verschillende belangen gemoeid - niet in de laatste plaats die van de overheid. Er is echter een nieuw argument om het klassieke beroepsgeheim niet te doorbreken. In de strijd tegen de moderne criminaliteit is de overheid bezig zich op andere manier tot dusver ongekende informatieposities te verschaffen: Een wet op criminele plannenmakerij (officieel: voorbereidingshandelingen) schept verregaande mogelijkheden inlichtingen te vergaren over verdachte groeperingen. Een wet Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) verplicht financiële instellingen niet alleen de onbekende klant die zich meldt met een sporttas vol met (vreemde) bankbiljetten op te geven, maar zelfs om transacties te rapporteren die a-typisch zijn voor een bepaalde cliënt.

Het zegt wel iets dat het notariaat nu heeft besloten tot een beroepsregel om betalingen van boven de 25.000 gulden in contanten te weigeren. Een officier van justitie op de plaats van mr. Van Capelle is als geen ander op de hoogte met de precieze stand van het recht. Waarom komt hij dan toch met een wilde suggestie als het openbreken van een beroepsgeheim dat ook in eerdere roerige tijden zijn waarde heeft bewezen? De verklaring dient niet in de laatste plaats te worden gezocht in de omstandigheid dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad het karakter begint aan te nemen van een “moral panic”. De term is ontleend aan het proefschrift “De sociale constructie van fraude” waarin het echtpaar Brants in 1991 de weinig rooskleurige balans opmaakte van het offensief dat een vorige generatie officieren van justitie in de jaren zeventig en tachtig ontketende tegen de witte boorden misdaad - met als test-cases de toenmalige Slavenburgbank en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

Deze Gideonsbende kwam op tegen de traditionele zienswijze, niet in de laatste plaats binnen hun eigen openbaar ministerie, dit soort kwesties af te doen als “wetsdelicten die eigenlijk niet leven bij de bevolking”. Om deze weerstanden te doorbreken kozen zij voor een “straatvechtersmentaliteit” die zich moeilijk liet verenigen met de magistratelijke rol die zij zich tegelijk, en zeer bewust, aanmaten. Publiciteit vormde een integrerend aandeel in deze aanpak, culminerend in een roep om “reparatiewetgeving”.

De afloop van Slavenburg en ABP hebben de publieke bewustwording zeker bevorderd, maar lieten toch vooral de grenzen van het strafrecht zien. Een protagonist als de Slavenburg-officier van justitie mr. H. den Doelder is daarop afgehaakt en schroomt vandaag de dag als hoogleraar strafrecht niet de “no-nonsense”-methode in de moderne justitiële criminaliteitsbestrijding te kritiseren. Zo bezien is nu het wachten op mr. Van Capelle.